Parelduiken in de bijbel

Bungelende voetjes

Bij Handelingen 1:11

Vandaag is het Hemelvaart. Jezus spreekt een paar laatste woorden tot zijn leerlingen, en dan wordt hij omhoog geheven en opgenomen in een wolk, zodat de leerlingen hem niet meer zien. Terwijl ze nog naar de hemel staren, staan er opeens twee mannen in witte gewaden bij hen. ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken?’

Pff, Hemelvaart! Wat moeten wij, nuchtere en mondige 21ste-eeuwers, met zo’n ongelooflijk verhaal? Is het de bedoeling dat we aannemen dat dit echt gebeurd is? Nee toch, hoop ik! Je voelt: dit verhaal kan bij mij op enige weerstand rekenen. En dan moest ik er ook nog eens een overweging over houden. Gelukkig wees iemand me op het schilderij La Ascensión van Juan de Flandes. Drie mensen prominent op de voorgrond. Zij kijken naar boven en ik kijk automatisch met hen mee. En wat zie ik daar? Ik zie de voeten van Jezus daar bungelen. Inderdaad. Hij wordt ter plekke opgenomen in een wolk, hij is bijna uit zicht verdwenen. De schilder heeft het moment suprème gevangen!

Toen ik dit voor de eerste keer zag, moest ik grinniken. Zo letterlijk als Juan de Flandes de hemelvaart heeft weergegeven! Alsof hij een persfotograaf is, die zijn kans waarneemt om de voorpagina te halen. Maar toen kwam de tekst van het hemelvaartverhaal in mij op. Die twee mannen in witte gewaden: ‘Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken?’ Ja, wat staan deze mensen eigenlijk naar de hemel te staren? Wat sta ík eigenlijk naar de hemel te staren? Kijk eens vlak ónder de bungelende voeten van Jezus! Daar op de rots! In het zand, in het stof zijn zijn voetafdrukken zichtbaar. Kijk! Dáár gaat het om! Zijn voetafdrukken die te vinden zijn op aarde. Zijn sporen die te vinden zijn in mijn leven. Neem maar even de tijd om dat tot je te laten doordringen.

Grote sprong, nu. Niet alleen Jezus laat zijn sporen na in mijn leven, ook andere mensen doen dat. Of we het nou doorhebben of niet, wij kunnen veel voor elkaar betekenen en op die manier sporen achterlaten in het leven van anderen. Daarvoor hoef je echt geen grote uitvindingen te doen of records te vestigen of een meter boeken te schrijven. In het heel gewone, dagelijkse bestaan kan het zomaar gebeuren. Een klein voorbeeld. Een paar jaar terug overleed een vriend. Het was onverwacht en ik was totaal overrompeld en in de war. Maar er moest wel gewoon gegeten worden, dus ik ging naar de supermarkt. Daar raakte ik helemaal de weg kwijt. Ik kon niet meer vinden wat ik nodig had. Ten einde raad vroeg ik hulp aan een vakkenvuller. De jongen stond op, liep met me mee en wees aan wat ik zocht. De manier waarop hij dat deed … Rustig, hulpvaardig en vriendelijk. Zonder ook maar een wenkbrauw op te trekken, zonder enig oordeel. Het was werkelijk balsem voor mijn ziel dat er iemand was die mij op die manier hielp. Zo kléin als het was – het kan me nog steeds ontroeren.

Als je het bij jezelf nagaat, kan ik me niet anders dan voorstellen dat jij ook dit soort momenten in je leven hebt gekend. Momenten van troost, bemoediging, inspiratie. Een woord dat op het juiste moment kwam, een hand op een schouder, een knipoog. Misschien is vandaag een mooie dag om daar je gedachten eens over te laten gaan. Hoezeer andere mensen hun voetafdruk achterlaten in jouw leven. Natuurlijk, mensen van dichtbij – ouders en grootouders, partners, broers of zussen, kinderen, kleinkinderen. Maar ook mensen die misschien wat minder voor de hand liggen – die buurvrouw die altijd vriendelijk groet, de doktersassistente of de apotheker, een collega die op het juiste moment even vroeg hoe het ging en daarna echt naar je luisterde. Neem vandaag eens de tijd om daarover na te denken: hoeveel je eigenlijk ontvangt van zoveel verschillende mensen. Om niet! En misschien kun je voor één of meerdere mensen van die brede kring om je heen het opschrijven – een klein woord van dank voor de voetafdruk die zij achterlaten in je leven. En misschien, als diegene nog leeft, kun je dat briefje of kaartje opsturen naar die persoon. Of het vertellen. ‘Dank je wel voor het spoor dat je achterlaat in mijn leven. Een spoor van licht en liefde. Een voetafdruk van vriendelijkheid en mildheid. Een druppel van die rijke bron van levend water.’

Schaapje zijn

Bij Johannes 10:11

Ik moest preken over de goede herder. Oei, wat had ik last van weerstand! Mokkend ging ik de dagen door. Ik bromde over het beeld van Jezus als zachtaardig figuur, fulmineerde over de zoetsappige beelden die we ons van hem maken, mopperde nog wat over imaginaire collega’s die de goede herder gebruiken als goedkope troost (‘Laat je maar leiden door de Herder, dan komt alles goed’), ach, de lijst is eindeloos. Maar de grootste weerstand zat hem hierin: als Jezus herder is, dan ben ik een schaap. En ik wíl helemaal geen schaap zijn! Ik wil niet geleid worden. Ik wil niet volgen. Ik wil niet dat een ander voor mij de richting bepaalt en wanneer ik weer terug moet naar de schaapskooi. Ik bepaal dat zelf wel! ‘Ik begrijp nu waarom ik dominee ben geworden’, verzuchtte ik tegen mijn man. ‘Ik ben liever herder dan schaap.’

Er kwam pas een opening toen ik ergens las over het gedoe aan de bron. Kijk, in het Midden-Oosten rond het jaar nul zag het er wel even anders uit dan hier en nu. Geen dijken met sappig gras, stukje afzetten met een flexibel hek, schapen erin en de herder naar huis – nee, tamelijk dor en droog landschap, waar de kudde doorheen geleid moet worden op weg naar waar er gras of ander eetbaar groen is. En als er gegeten is, gaat de kudde naar de bron om te drinken. De bron is afgedekt met een steen, die te zwaar is om in je eentje te tillen. Je hebt dus collega-herders nodig om dat te doen. Kijk even mee vanuit een helikopter: in het midden de bron, er staat al een herder met een kudde te wachten, de volgende is onderweg, en kijk, uit díe richting komt er ook nog een. De mannen wentelen de steen weg, putten water, schenken het in de drinkbakken en de schapen? Ja, die willen drinken. De sterkste en bazigste exemplaren dringen voor, de zwakkere moeten wachten. Het loopt daar dus helemaal door elkaar met al die schapen. Het is heus niet zo dat die dieren denken: ‘Kudde A gaat bij drinkbak een, kudde B bij drinkbak twee, dan houden we de boel een beetje overzichtelijk.’ Welnee. Ze hebben dorst, die drinken waar en wanneer ze kunnen. Maar hoe moet dat dan als ze weer verder gaan, elk naar hun eigen kooi? Van de schapen zal het niet komen!

De sleutel ligt bij de herder. Als het moment om te gaan is aangebroken, gaat hij aan de rand van de kluwen wol staan en roept zijn roep. Elk schaap herkent de stem van de eigen herder. Iets in haar wordt wakker en ze geeft antwoord en gehoor. De kudde verzamelt zich bij hem en volgt hem. Op YouTube vind je een filmpje van een hedendaagse schaapherder, die een experiment doet met zijn kudde. Een paar toeristen proberen de schapen te roepen. Nou, het róepen lukt, maar de schapen reageren niet. Kijk maar eens wat er gebeurt als de herder zelf zijn schapen roept. Ontroerend.

Het zette mij aan het denken over waarnemen. Hoezeer onze wereld, en daarmee bedoel ik de wáárneming van onze wereld, gedomineerd wordt door ons gezicht, ons kijkvermogen. Misschien moet ik het bij mezelf houden en schrijven: míjn waarneming wordt gedomineerd door mijn gezichtsvermogen. En ik neem jou erin mee. Ik heb je zojuist in een helikopter gezet om je overzicht te geven. Je hebt vanuit de lucht gezien wat er gebeurt bij de bron. Maar heb ik je ook het geblaat laten horen? De herders die elkaar begroeten? Het geluid van water dat in de drinkbak gegoten wordt? Heb ik je de typische schapengeur laten ruiken? Heb ik je laten voelen hoe zwaar die steen is? En hoe het is om als sterker schaap voor te dringen of om als zwakker schaap weggeduwd te worden? In dit stukje tot nu toe komt het woord ‘kijk’ vijf keer voor!

Maar waarnemen met je ogen is een heel beperkt soort waarnemen. Het is heel gericht. Je blikveld is smal; we hebben bepaald geen 360° zicht. En dan hebben we daarbinnen ook nog blinde vlekken. Waarnemen met je oren is heel anders. Sluit je ogen maar eens. Wanneer je jezelf even tijd gegeven hebt om te wennen aan het ontbreken van visuele prikkels, ga je opmerken dat je je in een heel ander landschap bevindt. In een landschap van geluid. Het is een landschap dat je helemaal rondom je kunt waarnemen – en verder dan je kunt zien. De buurman scharrelt door zijn tuin; voor mij onzichtbaar achter de schutting. Een auto rijdt door de straat, van de lage nummers naar de hoge. De wasmachine vlakbij gaat centrifugeren. Hij staat drie gesloten schuifdeuren verder, maar ik neem het waar. Verderop zijn ze aan het bouwen; er valt een steigerbuis. Sluit je ogen en je komt in een heel andere wereld terecht. In een heel andere waarnemingstoestand. Niet meer jíj bepaalt wat je ziet, waar je heen kijkt. Nee, dat wat er is, dient zich gewoon aan en jij vangt het op. Het is een ongerichte manier van waarnemen. Heel open. Ontvankelijk. Jij zit en wacht af wat er nu weer je ‘gehoorveld’ binnenkomt.

Dit is wat er bij meditatie gebeurt. Je sluit je ogen, neemt even afstand van die gerichte manier van waarnemen, waarbij je zelf de touwtjes in handen hebt en je stelt je open voor dat wat opkomt, binnen of buiten jou. Je bent ontvankelijk. En zo ontstaat er ruimte voor alles wat door jou gezien, gevoeld of gehoord wil worden, maar waar jij in je dagelijkse bewustzijnstoestand aan voorbij loopt. Je maakt ruimte voor beelden, die in wat wij de werkelijkheid noemen, zich nooit kunnen laten zien omdat ze niet binnen ons idee van de werkelijkheid passen, maar die jou laten zien hoe jouw innerlijke werkelijkheid de dingen beleeft. Je maakt ruimte voor gevoelens die je in je dagelijks leven misschien gauw onderdrukt omdat ze je niet uitkomen. En je maakt ruimte voor de stillere stemmen in jou. De zachte fluisterstem van je intuïtie, van je innerlijk weten. Je maakt ruimte voor de stem van de goede herder, die jou naar de Bron zal brengen. Ja. Tot mijn eigen verbazing schrijf ik dit zomaar op. Op mijn meditatiebankje probeer ik een schaapje te zijn.

Op adelaarsvleugels

Bij Deuteronomium 32:11 en 12

Afgelopen winter ging er een nieuwe wereld voor me open. Die van de droom. Ik onthield ze nooit goed, maar nu drong er zich halverwege de ochtend eentje aan me op. Ik had hem de nacht ervoor gedroomd, hij was zoals te doen gebruikelijk weggezakt, maar hij wilde zich blijkbaar graag laten zien. En verhip, deze droom was de sleutel voor en het sluitstuk van een overweging waarmee ik bezig was. Mijn interesse was gewekt. Wat zouden mijn dromen me nog meer kunnen bieden? Dromen gedijen bij aandacht en inmiddels onthoud ik mijn dromen vaak, schrijf ik ze op en leren ze mij over wat er zich in mijn ziel en daaronder allemaal afspeelt. Echte richtingwijzers. Al moet je wel even moeite doen om de boodschap te ontcijferen, dat moet ik toegeven. Sommige dromen behoeven echter geen enkele uitleg.

In januari zorgen we in het hospice een paar weken voor een oudere dame. Onze eerste ontmoeting is moeizaam. Ik zie haar nog zó voor me. Ze zit in de relaxfauteuil, in pyjama, vestje erover, een dekentje over haar benen. Ze wekt niet de indruk helemaal ‘hier’ te zijn en geeft niet veel meer dan eenlettergrepige antwoorden. Hoe ga ik contact krijgen met deze vrouw, vraag ik me af als ik haar kamer verlaat. Met die vraag had ik me niet hoeven bezighouden, want de volgende keer dat ik haar zie, is ze compleet anders. Blijkbaar was haar mentale afwezigheid van tijdelijke aard.

Het wordt een memorabel bezoek. Mevrouw heeft koorts en wordt in afwachting van de uitslag van de covid-test in isolatie verpleegd, zoals dat heet. Als je haar kamer op gaat, moet dat volledig corona-proof. De verpleegkundige van dienst helpt me in mijn tenue. Blauw schort, latex handschoenen, medisch mondneusmasker en veiligheidsbril. Ik grijns achter het masker. ‘Ben ik nog herkenbaar?’, vraag ik. Mijn collega schudt haar hoofd en we lachen allebei. ‘Ik zou voor de zekerheid jezelf nog maar een keer voorstellen.’ Dat is misschien geen gek idee. Dan loop ik de kamer op.

Mevrouw ligt op bed, deze keer. Ik vertel wie ik ben en ze slaakt een diepe zucht. ‘Ik wil u graag iets vertellen.’ Ik sta versteld. Ik zie een compleet andere vrouw dan een paar dagen geleden! Ik nodig haar uit om haar verhaal te doen. Ze vertelt dat ze, voordat ze naar het hospice kwam, in het ziekenhuis lag. ‘Ik heb een mooi leven achter de rug, heb het heel goed gehad en ben altijd stabiel geweest, maar nu had ik het toch echt moeilijk. Ik wist niet meer waar ik het zoeken moest. Toen heb ik ’s nachts gebeden. ‘God, hélp me! Help me!’ Normaal kan ik prima bidden, maar nu wist ik niet meer te zeggen dan dat.’ Ze kijkt me aan en ik knik. ‘En toen, ’s nachts … Ik droomde.’ Ze slikt. ‘Ik droomde van de adelaarsvleugels.’ De adelaarsvleugels! Beeld voor God als volwassen adelaar, die haar kinderen het nest uit duwt omdat ze moeten leren vliegen. Duikvlucht neemt en onder ze door vliegt om ze op te vangen als het niet lukt. En ze op haar wieken draagt en terugbrengt naar het nest om het later nog eens te proberen. ‘Toen ik wakker werd, was ik een en al rust en vertrouwen.’ Haar ontroering is bijna tastbaar.

Het lied komt spontaan in me op. (Luister het hier.) ‘Die mij droeg op adelaarsvleugels, die mij hebt geworpen in de ruimte. En als ik krijsend viel mij ondervangen met uw wieken en weer opgegooid, totdat ik vliegen kon op eigen kracht.’ En voordat ik het weet, sta ik, compleet onherkenbaar in isolatiepak, aan haar voeteneind te zingen. De tranen biggelen over haar wangen en ze knikt. ‘Ja, dat. Precies dat.’

De volgende keer dat ik binnenloop, hoef ik geen extra maatregelen meer te nemen. De testuitslag was gelukkig negatief. Tot mijn grote verrassing herkent ze me. ‘U hebt voor mij gezongen’, zegt ze. Weer haar ontroering. Ik ga naast haar bed zitten. We zeggen niet veel. Door mijn aanwezigheid is ze terug in haar droom, die haar de innerlijke werkelijkheid laat zien. Het herbeleven ervan doet haar, vermoed ik, vele malen méér goed dan het praten erover. Dus ik zwijg en geniet met haar mee. De keren daarna tref ik haar niet meer wakker. Ze slaapt steeds meer tot ze op een gegeven moment niet meer aanspreekbaar is en uiteindelijk rustig wegglijdt in de dood.

Zoals altijd, stuurt een verpleegkundige me een berichtje van overlijden. Als ik het in mijn mailbox aantref, pak ik mijn boekje erbij. Ik maak van elke ontmoeting die ik met bewoners en hun naasten heb, aantekeningen. Niet alles, maar de belangrijke zaken, namen van mensen die genoemd zijn, grote gebeurtenissen, gevoelens, vragen die bij me opkomen voor een volgend gesprek. De laatste aantekening is altijd de datum van overlijden. Ik schrijf hem op op de bladzijde van deze bewoonster. En: ‘Niet overleden, maar weggedragen op adelaarsvleugels!’

Ik lees nog even terug, van achteren naar voren, om me de ontmoetingen met haar weer te binnen te brengen. O ja, dat gesprek zonder woorden dat we hadden, de laatste keer dat ik haar wakker zag. En de keer ervoor: de droom en het lied. Ik glimlach om mezelf. En dan de keer dáárvoor. Ik was het alweer vergeten, het moeizame eerste bezoek. ‘Niet adequaat. Gedesoriënteerd? Zegt alleen ja/nee. Eigen predikant is geïnformeerd.’ Maar ik heb méér opgeschreven over onze eerste ontmoeting. Tot mijn grote verbazing zie ik dat ik iets heb opgemerkt en opgeschreven en dat ik dat compleet ben vergeten. Het is weggezakt, maar het staat me, nu ik de woorden zie, weer helder voor de geest. En ik ben weer op haar kamer; ik in de bezoekersstoel, zij met het vestje over haar pyjama in de relaxfauteuil, met het dekentje over haar benen. Wat lees ik daar op haar nachthemd, nota bene met glimmerletters? ‘Follow your dreams, they know the way!’

De zon gaat op

Bij Marcus 16:2 en Genesis 32:32

‘Zeer vroeg op de eerste dag van de week komen ze aan bij het graf, bij het opgaan van de zon.’ De eerste woorden van het opstandingverhaal in het evangelie naar Marcus. Je zou er bijna overheen lezen, zo tussen neus en lippen door vermeldt hij het, maar Marcus schrijft het met opzet: bij het opgaan van de zon. Alle vier de evangelisten vertellen het verhaal van de opstanding, maar ieder op eigen wijze. Allen situeren de ontdekking van het open graf helemaal aan het begin van de dag, maar net met een ander accent. ‘Als het nog donker is’, schrijft Johannes. ‘Diep in de morgen’, zegt Lukas. ‘Bij het oplichten van de eerste dag’, vertelt Matteüs.

Marcus is de enige die hier de zon laat opgaan. Dat doet hij natuurlijk niet voor niets. Marcus laat de zon hier opgaan, omdat hij hem aan het begin van het evangelie heeft laten ondergaan. Het hele evangelie speelt zich, zo zou je kunnen zeggen, af in de nacht. In het donker. Dat op zich is al een hele overweging waard, maar dat komt misschien later een keer. Voor nu is dit voldoende: de zon gaat onder aan het begin van het evangelie en op Paasmorgen, aan het einde, gaat hij weer op.

Marcus kent zijn klassiekers. En in zijn geval bedoel ik dan de boeken die wij het Oude Testament noemen. Hij is gepokt en gemazeld in de verhalen van den beginne; de eerste vijf boeken van de bijbel klinken in de synagogen in doorgaande lezing. Elke week een stuk en als Deuteronomium, het vijfde boek, uit is, klinkt in één adem door Genesis 1:1 – het verhaal van de schepping. Dus Marcus heeft in zijn leven herhaaldelijk de verhalen uit Genesis, de verhalen van onder andere de aartsvaders, gehoord. Ook het verhaal van Jakob. En aan dat verhaal wil Marcus ons doen denken op Paasochtend.

Jakob, de hielenlichter, zoals hij bij zijn geboorte wordt genoemd. Hij houdt immers de hiel van zijn oudere tweelingbroer Esau vast. En hij maakt zijn naam waar. Vader Izaäk is oud en blind. Hij voelt dat de dood misschien niet lang op zich laat wachten en wil zijn oudste zoon de zegen geven die bestemd is voor de eerstgeborene. Op instigatie van moeder Rebekka bedriegt Jakob zijn vader door zich voor te doen als Esau. Hij trekt zijn kleren aan, zodat hij naar hem ruikt. Hij doet geitenvel om zijn armen, zodat hij voelt als zijn behaarde broer. En zo komt hij bij Izaäk. ‘Wie ben je, mijn zoon?’, vraagt deze. ‘Ik ben Esau, je eersteling’, zegt Jakob. Izaäk laat zich op het verkeerde been zetten en zegent de jongste met de zegen die bestemd was voor de oudste.

Esau woedend, uiteraard. Jakob vlucht uit lijfsbehoud naar Haran, naar zijn oom Laban. Onderweg slaapt hij in het open veld op de grens, bij de stad Luz, want de zon was ondergegaan. Net zo terloops als Marcus vertelt de schrijver van Genesis het. De zon was ondergegaan. Het wordt dus nacht. Donker. Bij zijn oom woont hij jarenlang en hij groeit uit tot een groot man. Twee vrouwen, twee bijvrouwen, kinderschaar, kuddes, knechten. Dan gaat hij terug naar zijn geboortegrond. In zijn eentje is hij ooit naar Haran gekomen, met een hele stoet vertrekt hij weer, op weg naar het huis van zijn vader, waar hij zijn broer Esau onder ogen zal moeten komen. Bij de grensrivier de Jabbok worstelt hij in de nacht met Iemand. Ze zijn tegen elkaar opgewassen. Als het morgenrood gloort, zegt Iemand: ‘Laat me gaan.’ ‘Ik laat je niet los, tenzij je me zegent!’, antwoordt Jakob. Als je iemand zegent, moet je weten hoe hij heet. Dus vraagt Iemand: ‘Wat is je naam?’ En Jakob zegt: ‘Jakob.’ Daar gebeurt het. ‘Ik ben Jakob!’ Eindelijk, na al die jaren, valt Jakob weer samen met wie hij is. Hele omwegen is hij gegaan. Hij heeft zich voorgedaan als Esau, zich een andere identiteit aangemeten, heeft tijden in den vreemde gewoond en is nu weer terug naar huis aan het gaan. Maar helemaal echt thuiskomen kan pas als hij in alle openheid durft te zijn wie hij is. Ik ben Jakob. Hij draagt zijn eigen naam weer; het is een bevrijding. Lang draagt hij die overigens niet, want hij krijgt van Iemand een nieuwe. ‘Israël zul je heten, vechter met God.’ Nu kan Jakob-Israël Iemand laten gaan. En dán – let op! – dan gaat de zon over hem stralen, net als bij het open graf in Marcus.

Het is net het menselijk bestaan. Jarenlang doen we ons anders voor dan we zijn. We meten ons een persoonlijkheid aan en leven daarnaar. We leven naar de overtuigingen die we over onszelf hebben. Proberen te voldoen aan de verwachtingen waarvan we denken dat anderen die van ons hebben. We proberen het beeld te zijn dat we van onszelf geschapen hebben. Natuurlijk kan ik alles aan! Natuurlijk ben ik altijd vriendelijk en voorkomend! Natuurlijk zorg ik goed voor anderen! Natuurlijk weet ik alles! Daar gaat de zon onder. En zo leven we in de nacht. In het donker van niet helemaal kunnen zijn wie je bent, want je zwakte, je ongeduld, je onwetendheid mogen niet aan het licht komen. Dat is wonen in den vreemde. Overigens kun je daar, net als Jakob, heel groot worden!

Maar op een gegeven moment leidt het leven je terug naar je oorsprong, je geboortegrond, naar huis. Naar daar waar je vandaan komt. En daar komt het op jou aan. Hier helpt jou de in den vreemde gewonnen grootheid niet; hier sta je er alleen voor. Wat zeg jij daar, bij de grensrivier, op de vraag naar wie je bent? Kun je en durf je daar te zeggen: ‘Ik ben wie ik ben’? Kun je en durf je daar de stap te zetten om samen te vallen, werkelijk en helemaal, met wie je ten diepste bent? Dat je je niet meer groter of kleiner of sterker of zwakker hoeft voor te doen dan je bent? Kun je daar van binnenuit gaan leven, en alles wat je aan de binnenkant bent, uitstralen?

Kijk, dát is opstanding. Dat al dat ‘voordoen als’ niet meer hoeft; dat je daarvan bevrijd raakt. Dat het voldoet te zijn wie je bent. Dat je samenvalt met wie je bent. De nieuwe mens staat op en de zon gaat over hem stralen.