Parelduiken in de bijbel

Hemelvaart

Bij Handelingen 1:9

De tijd kent verschillende ritmes en het zogenaamde kerkelijk jaar is er een van. Dat begint met advent en daarna volgen de grote feesten: Kerst, Pasen en Pinksteren. De geboorte van Jezus, de opstanding van Christus en het feest van de Geest. Jezus komt ons tegemoet als mens in levende lijve met kerst en na zijn opstanding verschijnt hij aan zijn leerlingen. Vandaag is het Hemelvaart, het laatste station vóór Pinksteren. Voordat de Geest de mensen in vuur en vlam kan zetten, moet er zelfs aan de geestelijke verschijningen van Jezus een einde komen. Hij wordt ten hemel opgenomen, zoals het verhaal vertelt. Jezus moet verdwijnen om ruimte te maken voor Christus. Of misschien beter: alle uiterlijke vormen van Christus moeten verdwijnen om ons de ogen te openen voor zijn innerlijke aanwezigheid in alles en iedereen.

Ik heb Jezus natuurlijk nooit gekend. Ik leef twintig eeuwen na hem en ook nog eens in een ander deel van de wereld. De leerlingen en vele anderen van destijds en daar – díe hebben hem gekend. Gezien, gehoord, meegemaakt. Mee gelachen en gespeeld. Door zijn woorden of zijn uitstraling geraakt en veranderd. Zij vereenzelvigden hem met zijn fysieke aanwezigheid. Voor hem was hij lichamelijk nabij, zichtbaar; daar komt natuurlijk een einde aan. Maar dat wil niet zeggen dat er een einde komt aan zijn wezen. Dat hebben ze na Pasen ervaren: hij verscheen nog een paar keer aan hen. Maar ook op die verschijningen moeten ze zich niet blind staren. Alle zichtbare, uiterlijke manieren van verschijnen moeten vervliegen om ruimte te maken voor de meest innerlijke manier van aanwezigheid. De uiterlijke Christus wordt verhuld, omgeven door een wolk, niet meer zichtbaar. Dat richt de blik naar binnen; daar zullen de leerlingen hem moeten gaan ontdekken.

Ik heb Jezus op die manier nooit gekend; ik heb hem nooit in levende lijve gezien en moet het doen met de verhalen en wat mensen mij verteld hebben. Maar ook daaruit kan ik een uiterlijk beeld van Jezus hebben. Ik kan hem bijvoorbeeld zien als iemand die omwille van mij naar de aarde is gekomen om daar voor mij te sterven. Ik kan hem zien als mijn persoonlijke verlosser; de rechter die uiteindelijk de bokken van de schapen zal scheiden en recht zal breien wat hier op aarde krom is; iemand die aanbeden moet worden om hem gunstig te stemmen, of vooral uitbundig bedankt. Allemaal uiterlijke beelden van hem, die natuurlijk iets zeggen over zijn wezen, want ze verwijzen ernaar, maar ze vallen er zeker niet mee samen.

Om Christus innerlijk te gaan herkennen, moet Jezus verdwijnen. De uiterlijkheid van de verschijning van Jezus zit het ervaren van zijn innerlijke aanwezigheid in de weg. Dat zullen de meeste mensen herkennen. Ik denk terug aan een man, die zijn levenseinde onder ogen moest zien en het zo moeilijk vond om zijn vrouw alleen achter te laten. Zij zei: ‘Natuurlijk vind ik het ook moeilijk en ben ik straks eindeloos verdrietig en eenzaam. Maar ik weet ook: straks ben je nog steeds bij me, maar op een heel andere manier. Je zult me nog steeds bemoedigen als ik onzeker ben en me helpen mijn weg door het leven te vinden.’ Ik denk ook aan mijn grootmoeder, die nog steeds troostend nabij kan zijn als ik het moeilijk heb; nabijer zelfs dan ze tijdens haar leven kon zijn. Onze doden zijn lichamelijk niet meer bij ons, maar dat maakt hun aanwezigheid niet minder reëel.

Jezus kon bij of met de leerlingen zijn. Beperkt in tijd en plaats. Als zijn lichamelijke gestalte verdwijnt ten gunste van zijn geestelijke, innerlijke aanwezigheid, is het ineens mogelijk: Christus is altijd en overal op gelijke wijze tegenwoordig. ‘Blijf in mij, zoals ik in u’, drukt hij zijn leerlingen op het hart vlak voor zijn dood. Het in-zijn van Christus is er; wij zijn het die in- en uitgaan. We moeten moeite doen of ons ervan bewust zijn of ervoor kiezen om ‘in’ te blijven. Wat in ieder geval helpt is Jezus telkens weer ten hemel laten varen. Je ervan bewust zijn dat de verhalen die je leest of hoort, natuurlijk gaan over iemand lang geleden ver weg, maar vooral over jou – over jouw leven, hier en nu. Over dat, wat Christus heet in jou.

Je wil opgeven

Bij Johannes 21:18

Ik las ‘Provocatief pastoraat’ van Marieke Sillevis Smitt. Een aanrader voor iedereen die wel eens een pastoraal gesprek houdt – of beoogt dat te doen. Onvermoeibaar houdt ze de lezer voor dat het werk lichter en leuker wordt en je de ander beter van dienst bent als je je gesprekspartner liefdevol en met humor uitdaagt. Overigens gaat dat niet zonder jezelf met dezelfde houding te bejegenen, maar dat terzijde. Veel van geleerd en, ook niet onbelangrijk, ik zat af en toe hardop te lachen. Onder andere door deze boude uitspraak: ‘Welbeschouwd bestaan er geen problemen.’ Huh!? Geen problemen? Onze nog best nieuwe oven is kapot, ik moet een overweging schrijven over een bepaald thema en ik heb nog geen enkel idee en zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Daarnaast is er genoeg kommer en kwel in deze wereld, zowel dichtbij als verder weg. En collega Sillevis Smitt roept doodleuk dat dat geen problemen zijn. Die combinatie leidt bij mij tot een lach van verbazing en heilzame verwarring. Ik ben meteen helemaal wakker.

Uiteraard legt ze uit wat ze bedoelt. In mijn eigen woorden: je omstandigheden zijn zoals ze zijn. Als ze vervelend zijn, kies dan de optie ‘ik neem er verantwoordelijkheid voor’ en doe er iets aan. Dan verandert er iets aan de situatie en dus ook aan de beleving van het probleem. Dat is niet altijd mogelijk, natuurlijk. Dan heb je twee keuzes: ofwel je blijft je situatie ervaren als een probleem, ofwel je aanvaardt dat het is zoals het is. De omstandigheden zijn niet het probleem, maar jouw verzet ertegen maken ze tot probleem. ‘Wanneer de situatie geaccepteerd wordt, is er ten diepste geen probleem meer, alleen vrede!’

Het doet me denken aan waar de mystici telkens weer op hameren. Laat je eigenwilligheid varen. Geef je wil op. Voeg je wil naar die van God, in traditionele geloofstaal. Of, wat wat mij betreft hetzelfde is: voeg je wil naar het Leven. In de prekenbundel van Meester Eckhart begint de eerste preek ermee. ‘Zalig zijn de armen van geest – zalig zijn zij die niets willen, niets weten en niets hebben.’ Het kan wat rauw op je dak vallen, maar ook hij legt gelukkig uit wat hij bedoelt.

Overigens, als je een beetje een levenswijs mens bent, hoeft niemand je dit uit te leggen. Dan weet je dit allang – al kan het misschien geen kwaad om er af en toe aan herinnerd te worden. ‘Toen je jong was, ging je waarheen je wilde. Als je oud wordt, brengt een ander je waarheen je niet wil.’ Een treurigstemmend woord, misschien, zeker als je hierbij denkt aan afhankelijkheid, zorgbehoefte, regieverlies en, voor velen een schrikbeeld, het verpleeghuis. Maar laten we verder kijken dan deze concrete beelden. Kan het zijn dat Jezus hier precies déze ontwikkeling in een mensenleven op het oog heeft: het opgeven van je wil? Wie jong is, denkt vaak zelf aan het stuur van zijn leven te zitten. Wie levenservaring heeft opgelopen, weet dat dat niet zo is. Je kunt wel heel veel willen, maar of dat een gunstig effect heeft op de loop van je leven is zeer de vraag. Je haalt je vooral veel problemen op de hals. Of je dit inzicht al of niet hebt, heeft overigens niets met leeftijd te maken; wel met rijpheid en bereidheid de werkelijkheid onder ogen te zien.

Betekent dit dat een mens niets te willen heeft? Of, nog zo’n schrikbeeld: geen vrije wil? Wees gerust, die vrije wil heb je zeker. Als je leven niet gaat zoals jij wil, kun je er namelijk altijd nog uit vrije wil voor kiezen om te willen dat het gaat zoals het gaat. Inderdaad: welbeschouwd bestaan er geen problemen.

Rups en vlinder

Bij Johannes 19:38-40

Een paar weken geleden. Het is alvast lenteachtig. ’s Ochtends is het koud, maar de zon schijnt uitbundig en in de tuin van het hospice waar ik werk is het rond het middaguur al aangenaam. Ik besluit mijn boterhammen buiten op te eten en loop het terras op. Over de tuinbank ligt de kobaltblauwe sjaal van een bewoonster te drogen, maar er is nog plaats genoeg voor mij.

Ik ben niet de enige die me laat verleiden om naar buiten te gaan. Vlak voor mijn neus fladdert ineens een vlinder. Ze strijkt naast me neer – op de sjaal van de bewoonster. Ze opent haar vleugels en koestert zich in de zon. Heerlijk! Heel voorzichtig buig ik naar de tafel en pak mijn telefoon. De vlinder blijft zitten waar ze zit en laat zich gewillig fotograferen.

Ik dribbel weer naar binnen, naar de dame van de kobaltblauwe sjaal. ‘Kijk eens’, zeg ik. ‘Dit gebeurde zojuist op de tuinbank.’ Ik laat haar de foto zien. ‘Ach, een dagpauwoog … En die koos míjn sjaal om op te zitten!? Wat mooi!’ Ik app haar de foto en daarna ontspint zich een gesprek over het wonderlijke van vlinders. Dat ze in hun leven zo’n grote transformatie ondergaan. Dat de volwassen rups zich helemaal omwikkelt met draad, dat dat een stevig huisje wordt en dat hij, als hij weer tevoorschijn komt uit dat huisje, een vlinder is geworden. Compleet onherkenbaar als soortgenoot voor de rupsen die de vlinder zien vliegen vanaf de grond. De bewoonster slaakt een zucht. ‘Wat een metafoor, eigenlijk. Wie weet in wat voor gedaante ik straks in het leven van mijn naasten rondfladder. En of ze me dan herkennen …’

Dan wordt het Goede Vrijdag. Ik ga voor in een dienst en lees de bij deze dag horende hoofdstukken uit het passieverhaal. Jezus wordt verraden, opgepakt, verhoord en gekruisigd. Na zijn dood neemt iemand met de wonderschone naam Jozef van Arimatea hem van het kruis en, alvorens hem in een graf te leggen, wikkelt hij het lichaam in doeken. De twee beelden vloeien samen – dat van de rups die een cocon om zichzelf heen spint en dat van het dode lichaam van Jezus, dat in doeken wordt gewikkeld. Beide worden aan het oog onttrokken doordat ze worden ingepakt. De rups heeft de cocon nodig om van vorm te veranderen; van rups wordt hij een vlinder. Ondergaat Jezus, ondergaan overleden mensen, ook zo’n transformatie?

‘Neem afscheid van de verschijningsvorm en verenig je met het gestalteloze zijn’, schrijft de middeleeuwse mysticus Meester Eckhart ergens. Ieder mens is een verschijningsvorm van het goddelijke. Een tijdelijke vorm die ruimte biedt aan het goddelijke om hier en nu gestalte te krijgen. God krijgt vorm in ieder van ons; het Woord wordt vlees in ieder van ons. Jezus was ook zo’n vorm. Die vorm is sterfelijk; die verdwijnt. Maar ín die menselijke vorm huist het goddelijke. In die eindige, tijdelijke vorm zit iets eeuwigs – dat wat Eckhart noemt het ‘gestalteloze zijn’. Het is verborgen voor het oog, want het oog ziet alleen de uiterlijke vorm. Vergelijk het met de rups: ín de rups zit al de vlinder, maar die zie je nog niet. Met zaad: ín het zaad zit al de hele plant, maar die zie je nog niet. Nogmaals Jezus: ín Jezus zit al de Opgestane, of anders gezegd: ín Jezus zit Christus. Christus als: God-in-ons, als: het gestalteloze zijn. Doordat de omhullende vorm verdwijnt, kan het gestalteloze zijn zichtbaar worden. Nee, niet zichtbaar worden … Aan het licht komen! En wel op zo’n manier dat je je ermee kunt verenigen, aldus Eckhart.

Waarom is dat zo moeilijk te zien of te ervaren? Omdat wij zijn als die rupsen die over de grond kruipen. Daar fladdert een vlinder boven ons hoofd en wij herkennen die niet als wezenlijk dezelfde als wijzelf. De vorm is zo anders!

De verschijningsvorm moet verdwijnen, moet aan het oog onttrokken worden, zodat er zich in óns, in de achterblijvers, in de rupsen die rups blijven, een transformatie in gang gezet kan worden – in onze waarneming. Het is een heel proces, maar ons innerlijk oog kan opengaan voor het gestalteloze zijn in ieder mens. Dan ontmoet de Christus-in-mij Christus in iedere mens.

Ont-wikkelen

Bij Marcus 4:26-27

In mijn hoofd klinkt muziek. Al dagen, maar ik word het me nu pas bewust. Wat is het ook alweer? Ik weet dat ik het ken. Hoge, ijle vrouwenstemmen. Een zacht golvende melodie. Pas als ik het zoeken opgeef, komt het antwoord in de vorm van de eerste zin. ‘Gij moet het eenzaam laten.’ Een gedicht van Ida Gerhardt, op muziek gezet, zodat het gezongen kan worden. Het eerste couplet: ‘Gij moet het eenzaam laten / het zaad dat ligt te slapen / en dat al kiem gaat maken.’

Wonderlijk hoe iets in mij dit lied tevoorschijn tovert, zonder dat ik het me bewust ben, en in mij laat zingen, net zolang tot ik het tot me laat doordringen. Het zaad in de aarde – het is een prachtig beeld voor wat er in mijn binnenste speelt. Ik schreef vorige keer al over de ervaring dat het bekende borrelen of vloeien waarin ik God’s beweging meen te herkennen, afwezig lijkt. Met nadruk: líjkt. Want ís God afwezig? Of is het alleen maar een buitenkant die is afgelegd, een jas uitgedaan – en herken ik de innerlijker gestalte nog niet?

‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: hij slaapt en staat weer op, dag in dag uit, terwijl het zaad ontkiemt en opschiet, ook al weet hij niet hoe.’ Op mijn innerlijke akker is zaad gezaaid. Dat zaad ondergaat in de aarde, in het verborgene, een heel proces. Het gaat ontkiemen. Het gaat zich ontwikkelen. Van binnenuit. Wat de zaaier heeft gezaaid, is een vormvast, hard en klein zaadje; dat is de buitenkant. De schil, het kaf. Dat kaf is nodig als bescherming. Het kaf omhult en bewaart dat heel kwetsbare, dat innerlijke, dat het zaad in zich draagt. Pas als de omstandigheden ernaar zijn, groeit de binnenkant. Die neemt toe en neemt toe en op een gegeven moment past het kafje niet meer. Het wordt aan alle kanten te klein. Wat eerst bescherming gaf, gaat wringen en wordt dan een gevangenis. Het kiempje moet zichzelf bevrijden uit het kaf. Dat gaat (op zaadniveau) met grof geweld. De schil wordt van binnenuit opengebroken, opengescheurd. Het kaf breekt open en daar verschijnt de plant die in dat zaad verborgen zat – pril, teer, kwetsbaar.

De ont-wikkeling van dat zaad; de ont-wikkeling van iets innerlijks. Het lijkt op elkaar. Je moet het eenzaam laten, dicht Gerhardt. Je moet het laten slapen in de aarde. Inderdaad! Stel je voor dat je zaad zaait en het een week later weer opgraaft om te zien of er al iets gebeurt! Ik zie het al voor me. Als er nou íets is dat de ontwikkeling verstoort, is het dát. Nee, ‘het zaad ontkiemt en schiet op, ook al weet de mens niet hoe’. In het verborgene van mijn innerlijke akker ontkiemt het zaad wel – op zijn eigen tijd en op zijn eigen manier. En ik? Ik verblijf in niet-weten.