Vagevuur

Bij 1 Korintiërs 3:10-15

Voor sommige theologische concepten is er wel érg weinig bijbelse ondergrond. Neem zoiets als het vagevuur. De plek waar je heengaat als je bent gestorven, maar met een nog niet helemaal zuivere ziel. Het vuur zuivert je ziel van de laatste ongerechtigheden en als je schoon bent, mag je de hemel betreden. Wie op Wikipedia kijkt, ontdekt hoe weinig basis er is in de bijbelse verhalen voor dit idee. Ik heb er ook eigenlijk nooit veel mee gehad; deels uiteraard doordat ik een protestantse opvoeding heb genoten. Dat veranderde in een flits toen ik Op een andere planeet kunnen ze me redden van Lieke Marsman las.

Marsman beschrijft in dat boek hoe haar spirituele pad loopt nadat ze te horen heeft gekregen dat ze haar naderend levenseinde onder ogen moet zien. (Even voor de helderheid: ze is op dit moment 35 jaar oud.) Tot haar eigen verrassing opent iets in haar zich voor het christendom. Of moet ik schrijven: het christendom opent zich voor háár? Hoe dan ook, ze schrijft: ‘Er staat nogal wat op het spel in het christendom: geloven is grof gezegd het verschil tussen eeuwige verdoemenis in de hel of een toegangsticket tot de hemel. Hoewel ik veel troost vind in sommige Bijbelteksten, is dit de reden dat ik me nooit helemaal op deze vorm van geloof kan storten. Voort mij staat er alleen nu iets op het spel’ [cursivering van de auteur zelf].

Oeh, wat herkenbaar en wat schrijft ze het precies. Met geloof als verzekering van een toegangskaartje tot de hemel heb ik nooit veel opgehad. Ik voel: daar gaat het niet om. Tenminste, niet als je hemel definieert als een sfeer waar je naartoe gaat als je sterft – en zo interpreteert Marsman hemel hier. Nee – hemel en hel, dat zijn twee mogelijkheden die hier en nu voor je open liggen. Hemel – dat is leven in vrede, in waarheid. Hemel – dat is dat je ogen opengaan voor de schoonheid van het leven, van de aarde, van jezelf. De weg naar dat inzicht toe – en dat is het verwarrende – loopt vaak door de drek. Om werkelijk vrede te ervaren, moet je de onvrede in jezelf onder ogen zien en zich laten ont-wikkelen. Om de waarheid over jezelf te ontdekken, moet je onder ogen zien hoezeer je in onwaarheid leeft en je jezelf maar van alles voorspiegelt. Blijkbaar moet je eerst een hoop narigheid door voordat je de hemel in het nu kunt gaan ervaren.

En hier opende zich voor mij voor het eerst het concept vagevuur. Het idee dat je ergens doorheen moet dat pijn doet, dat iets wegbrandt, dat jóu wegbrandt, jouw buitenkant … Het idee dat je ergens doorheen moet dat je angst aanjaagt en waar je zelf nooit voor zou kiezen … Het idee dat je door het vuur heen moet en er gelouterd uit tevoorschijn komt … Het klópt. Het klopt met in ieder geval míjn ervaring. Alleen bevindt dat vagevuur zich niet ergens na mijn fysieke dood; het vagevuur bevindt zich op de grens van leven en Leven, hier en nu.

Het vagevuur bestaat. Dat is de pijn waar je doorheen moet als je de waarheid over jezelf onder ogen moet zien. Als je moet onderkennen dat jij net zo menselijk bent als ieder ander en dus blunders en uitglijders begaat, schade aanricht en anderen pijn bezorgt. En ook de hel bestaat. De hel, dat is het leven dat de pijn van deze loutering niet aandurft, de eigen missers niet wil zien en er dus voor kiest om toe te nemen in hardheid en oordeel. Hemel en hel – de keuze ligt voor je open, hier en nu.

Waar verblijft u?

Bij Johannes 1:38

Begin van het evangelie naar Johannes. Jezus heeft nog niets gezegd, nog niets gedaan. De enige manier waarop hij ten tonele is verschenen, is dat Johannes de Doper naar hem gewezen heeft en dingen over hem heeft gezegd. De mannen die de eerste twee leerlingen van Jezus zullen worden, lopen, wellicht uit nieuwsgierigheid, achter hem aan. Jezus draait zich om en spreekt hen aan. ‘Wat zoeken jullie?’ Zij zeggen: ‘Rabbi, meester, waar houdt u verblijf?’ ‘Waar logeert u?’, vertaalt een hedendaagse vertaling zelfs.

Wat een intrigerende vraag! Waarom zouden ze dáár nu meer over willen weten!? Of voelen ze zich ‘betrapt’, omdat Jezus ontdekt dat ze achter hem aanlopen en weten ze zo gauw niets anders te verzinnen? Tja. Dat kan natuurlijk, maar ik wens er meer in te zien. In het eerste hoofdstuk van dit evangelie klinken namelijk meer echo’s. Johannes 1: ‘In het begin was het Woord; het licht schijnt in de duisternis.’ Genesis 1: ‘In het begin schiep God de hemel en de aarde; en God sprak ‘Licht’ en er was licht.’ Ook de vraag ‘Rabbi, waar verblijft u?’ is zo’n echo, die de verhalenverteller Johannes invlecht in zijn relaas. ‘Mens, waar ben je?’ vraagt God als hij door de tuin van Eden wandelt en Adam en Eva zoekt. (Genesis 3:9) In alles maakt de evangelist duidelijk: het verhaal dat ik jullie ga vertellen hoort thuis in het grotere verhaal dat al eeuwen wordt verteld.

Des te interessanter het grote verschil tussen deze twee vragen. In Genesis vraagt God naar de mens; in Johannes vraagt de mens aan Christus naar zijn verblijfsplaats. Ja, dat is een vraag. Waar is Christus? Waar is Christus in jouw leven, in jouw bestaan? Kun jij hem lokaliseren? Kun jij zijn verblijfsplaats aanwijzen? Ik niet. Christus – dat wat ik Christus noem – stroomt in en uit en door mij heen. Voortdurend, maar lang niet altijd merkbaar; misschien zo nu en dan heel even. Maar een verblijfsplaats? Ja, misschien heeft-ie die wel, maar dan ver voorbij de in kaart te brengen gebieden van mijn leven; ver voorbij mijn bewuste geest; ver voorbij woorden en weten.

Echo’s van de stem van Christus meen ik wel op te vangen in mijn leven. Die stem uit zich in innerlijk weten, in me geroepen voelen om iets te zeggen of te doen, in beelden die ’s nachts of overdag in mijn binnenste opwellen en die me de weg wijzen. Die echo’s komen uit een voor mij onbereikbare diepte. Maar als het me gebeurt dat ik mijzelf loslaat – in meditatie, in de slaap of gewoon, als ik even niet naar mijn eigen innerlijke gekwek luister – ontstaat er een kier in mij, waardoorheen de stem vanuit de diepte kan opstijgen tot mijn min of meer bewuste geest. Momenten van aanwezigheid, juist omdat ik er zelf even niet was.

Wat zegt Jezus zelf eigenlijk ten antwoord op de vraag van de twee aspirant-leerlingen? ‘Kom en zie.’ Kom en zie! Met andere woorden: volg mij. Volg mij en je ogen zullen open gaan. Je moet dus je eigen plaats durven verlaten en de moed hebben om je over te geven aan de leiding van die Ander, die je zal brengen naar onbekende oorden om je ogen te openen voor wat daar te zien is.

Femifesteren

Bij Marcus 4:26-29

Zoals je wellicht weet, heb ik per 1 september mijn Droompraktijk geopend. Mensen zijn welkom met hun dromen, we kijken er samen naar en proberen te ontdekken wat de droom wil zeggen; welke hulp die biedt voor het dagelijks leven. Het openen van een praktijk is een mooi moment. Ik heb het eigenlijk in stilte voorbij laten gaan, maar ik had natuurlijk slingers kunnen ophangen, champagne ontkurken en iemand een toespraak laten houden. In onze maatschappij zijn we goed in het zien en benadrukken van dit soort momenten; dat iets zichtbaar en tastbaar wordt. Die momenten vieren we.

Vanuit een groter perspectief zou je kunnen zeggen: we zijn bovenal geïnteresseerd in manifesteren. In het moment dat iets tastbaar en ‘werkelijk’ wordt. In het ontvangen van een diploma, de publicatie van een boek, het krijgen van een nieuwe baan. Prachtige gebeurtenissen, zonder meer, maar ze zijn slechts de ene helft van de medaille. Ze zijn voorbereid – zichtbaar en onzichtbaar. Voor het diploma is jarenlang hard geleerd, voor het boek heb je je uren en uren teruggetrokken om onderzoek te doen en te schrijven en de nieuwe baan heb je alleen gekregen omdat je je in de jaren daarvóór hebt ontwikkeld. Dat is de zichtbare kant. Ergens in de dieper weggelegen gebieden van het leven, op een energetisch andere laag, zijn deze gebeurtenissen daarvóór nog in gang gezet en hebben ze zich ontwikkeld, zijn ze toegegroeid naar de voorbereiding op manifestatie.

Gladys McGarey is een ongelooflijk leuke en interessante vrouw. Met haar 103 levensjaren, waarvan tachtig werkzaam als holistisch arts, heeft ze een schat aan levenswijsheid. Die geeft ze door in haar boek Het goed geleefde leven. Daarin schrijft ze onder andere over dit proces van voorbereiding. Ze maakt ons erop attent dat wij daar vaak onachtzaam mee omgaan, dat we er geen oog voor hebben. Om deze kant van de medaille van manifestatie meer zichtbaar te maken, geeft ze er een woord aan: femi-festeren. Een woord met een knipoog naar het ‘mannelijke’ karakter van daadwerkelijk naar buiten treden. Femifesteren is wat er in de baarmoeder gebeurt. In de fysieke baarmoeder als het gaat om een kind – en in de baarmoeder van het leven, in het verborgene, onder de grond als het om andere dingen gaat. Door er een woord aan te geven hoopt ze haar lezers te helpen er de ogen voor te openen en het de waarde toe te kennen die het heeft.

Jezus vergelijkt het koninkrijk van God met een mens, die zaait. ‘Hij werpt zaad op de aarde. Hij slaapt, hij staat op; een nacht, een dag. Het zaad kiemt en groeit. En hóe – de mens weet het niet.’ Nee, we hebben geen idee wat er gebeurt daar in de aarde. Wanneer het zaad dat in ons leven wordt gezaaid zal ontkiemen. Of het wortel zal schieten en zo ja, wanneer. Of het zal opgroeien tot een kiemplantje, dat op een ongezien moment zijn kopje boven de aarde uitsteekt. Een kwetsbaar plantje dat, als de omstandigheden niet al te ongunstig zijn, zal uitgroeien tot een stevige aar en vrucht zal dragen. We hebben inderdaad geen idee. Maar het is een fascinerende gedachte dat er op dit moment in jouw leven mogelijk iets gefemifesteerd wordt. Of misschien wel meer dan één iets. Als ik me dat voorstel, voel ik de levenskracht in mij toenemen. Een sterke levensenergie stroomt door mij heen. Yess! Die Droompraktijk had ik een jaar geleden ook niet kunnen bedenken; ik ben benieuwd welke nieuwe wegen mijn leven nog meer weet te vinden! En, o wonder, het enige dat ik hoef te doen is doorademen en opmerkzaam blijven.

De tijd is rijp

Bij Psalm 1:3

Mijn werkzame leven ziet er sinds het begin van dit jaar anders uit dan voorheen. Ik was onder andere gastvoorganger; in een tiental gemeentes in de buurt ging ik zo nu en dan voor. Ik deed dat met vreugde, maar de laatste tijd begon vorm te wringen. Alsof mijn toga te heet was gewassen en ik me er niet meer lekker in kon bewegen. Ik voelde me niet meer vrij. Dat lag natuurlijk niet aan de toga die gekrompen was; nee, ík was gegroeid. Mijn lijf liet het me weten door hoe ik me voelde als ik aan de diensten dacht: benauwd, beklemd. Ik liep al een tijd met die gevoelens rond en uiteindelijk kon ik ze vorig jaar in de nazomer echt toelaten en doorvoelen. Toen was het me op slag duidelijk: blijkbaar moet ik hiermee stoppen. En dat deed ik ook – per 1 januari, omdat ik de preekvoorzieners niet in de problemen wilde brengen. Ik schreef erover in mijn blog Snoeien: ik ben een wijnstok en sommige uitlopers moeten weggenomen worden, zodat de vruchten aan de andere uitlopers kunnen groeien en rijpen.

En, voelde ik me vrij, aan het begin van het nieuwe jaar? Was het maar waar! Ik had aanvankelijk veel last van stemmen, die me vertelden dat ik lui was en gemakzuchtig en dat ik me nuttig moest maken. (Daar ging de blog Heroriënteren over.) Ik voelde me eerder onvrijer dan vrijer! Toch gingen de stemmen na verloop van tijd stukje bij beetje liggen. Ik raakte gewend aan de nieuwe situatie en iets in mij verschoof, zodat ik mijzelf eerst deze nieuwe ruimte kon toestaan – en daarna gúnde ik het mezelf zelfs. Voor de calvinist in mij was dat een hele stap.

Er is een heel jaar verstreken sinds mijn besluit – vier seizoenen. De herfst: een tijd van vruchten laten vallen, loslaten, de sapstroom die zich terugtrekt. De winter: tijd van de stilte, rust en ondergrondse voorbereiding. De lente: de sapstroom komt weer op gang en alles loopt weer uit, wordt bevrucht en ontwikkelt zich. En de zomer: de vruchten groeien en rijpen.

Nu begint de herfst weer. En als ik terugkijk zie ik dat in de afgelopen maanden er inderdaad een dergelijk proces heeft plaatsgevonden. Er is een nieuwe uitloper aan mij gegroeid, uit dezelfde rank die ik altijd al was en nog steeds ben. Die uitloper is mooi en stevig. Aan deze uitloper is een vrucht gegroeid en gerijpt en ik oogst hem vandaag. De vrucht heet Droomconsult. In dezelfde ruimte waarin ik voorheen diensten voorbereidde, ontvang ik nu mensen die met een droom komen; ik help hen te ontdekken wat de droom te bieden heeft aan leiding en hulp voor hun leven.

Met verwondering en dankbaarheid kijk ik terug op het proces van het afgelopen jaar. En ik voel me als de boom uit Psalm 1. Staand aan een heldere beek, met mijn wortels goed diep in de aarde, waar ik van dat heerlijke water drink, direct uit de Bron. Ik heb geduld moeten opbrengen om het proces zich in zijn eigen tempo te laten ontwikkelen, om niet overhaast dingen te gaan ondernemen. Had ik dat gedaan, dan waren mijn vruchten niet voortgekomen uit de juiste bron. Nee, ik heb moeten afwachten wat er bevrucht ging worden, wat er wilde groeien en rijpen. En nu er vier seizoenen voorbij zijn en de tijd rijp is, draag ik vrucht.