Haast

Bij Jesaja 28:16

Hier in huis ben ik degene die meestal achter het fornuis staat. Ik kook graag. Ik vind het fijn om met mijn handen bezig te zijn, zeker na een dag met intensief geestelijk werk. Ik vind het fijn om te snijden, te hakken, te schillen en te raspen. Ik vind het fijn om de warmte van het vuur of de oven te voelen. Om de geuren op te snuiven. Om langzaam maar zeker een paar rauwe en op zich niet zo héél interessante ingrediënten getransformeerd te zien worden in een smaakvolle, goed verteerbare en voedzame maaltijd. Ik vind het een eer dat ik voor mijn gezin mag zorgen. Nee, ‘eer’ is niet het goede woord. Het vervult me met dankbaarheid. Dankbaarheid dat deze drie mensen er zijn om voor te zorgen, dankbaarheid dat ik twee handen en de spierkracht heb om al die handelingen mee te verrichten, dankbaarheid dat er zoveel keus is in de supermarkt. Dat er dankbaarheid door me heen stroomt, vervult me dan ook nog eens met dankbaarheid. Een positieve spiraal, dus.

Nu ik er eens goed naar kijk, is het eigenlijk anders. De dankbaarheid welt in me op zonder aanleiding. Ze is er gewoon. Het is mijn beredenerende verstand dat een oorzaak of een aanleiding wil vinden voor de dankbaarheid en het gevoel dus vastplakt aan … een omstandigheid.

De langdurige lockdown laat me iets belangrijks zien. Vanwege kinderen met sport en muziek kook ik normaalgesproken drie avonden per week met enige haast. Maar nu er geen korfbaltrainingen zijn en ook geen repetities van het jeugdorkest, valt de noodzaak om op tijd te eten weg. We eten nog steeds tamelijk vroeg, maar nu maak ik de maaltijden zonder de bijkomende tijdsdruk. En nu dat al een paar weken zo is, voel ik wat de ‘normale’ gehaastheid met me doet.

Zodra er tijdsdruk is, wijkt de dankbaarheid. Hoe wijd mijn innerlijke ruimte ook is als ik met de voorbereidingen van de maaltijd begin, hij vernauwt zich stante pede zodra er tijdsdruk om de hoek komt kijken. Mocht er al dankbaarheid van binnenuit gevloeid hebben, dan stokt de stroom. Dan verricht ik dezelfde handelingen als altijd, maar met een compleet andere innerlijke houding. En echt, het geringste gevoel van haast is voldoende om deze ommekeer te bewerkstelligen.

Innerlijke ruimte – daar gaat het om. Een begrip dat ik al een tijd ken, maar dat ik steeds beter ga herkennen bij mezelf. Als mijn innerlijke ruimte open is, ruim en wijd, dan welt er van alles spontaan in me op: dankbaarheid, compassie, liefde, zachtheid. Ze komen op zonder dat ik erbij nadenk, zonder dat ik er iets voor hoef te doen, onafhankelijk van de omstandigheden. Deze gevoelens horen bij mijn natuur, bij mijn diepste wezen. (En bij jouw natuur en diepste wezen, even voor alle zekerheid.)

Als mijn innerlijke ruimte zich vernauwt, wordt het voor deze gevoelens ook heel moeilijk. Dan trekken ze zich terug en houden ze zich schuil en stil. Dan regeren druk, zorg en angst mijn handelen. En daar worden mijn daden, hoe eenvoudig ook, meestal niet beter van. Ze missen doel, ze schieten naast, ze vergroten de angst en zorg bij de ander, ze zetten de ander onder druk – kortom: een negatieve spiraal.

Dankzij de lockdown merk ik heel duidelijk dat tijdsdruk een factor is die invloed heeft op mijn innerlijke ruimte. Die brengt een bepaalde spanning met zich mee, die kramp en vernauwing veroorzaakt. Maar niet alleen tijdsdruk doet dat; want áchter de druk die ik voel als de klok in mijn nek hijgt, voel ik de druk die ik mijzelf opleg. Ik jaag mezelf op. Het eten moet op tijd klaar zijn, want de kinderen moeten elk dag al die gezonde voedingsstoffen binnenkrijgen, want anders ben ik een slechte moeder. Zoiets. En zo versterkt de druk die ik mezelf opleg het gevoel van druk dat er toch al was vanwege de strakke planning.

‘Wie gelooft, die haast niet.’ Een bijzinnetje in Jesaja (hier in de Statenvertaling), maar zo veelzeggend. Wie gelooft, wie vertrouwt, die haast niet. Wie vanuit vertrouwen handelt en leeft, die doet de dingen op het moment dat ze zich aandienen omdat ze zich op dat moment aandienen. En niet omdat ik het zélf zo leuk bedacht had dat het nu moest gebeuren of omdat ik anders niet voldoe aan het beeld dat ik van mezelf koester. Haast is een signaal. Blijkbaar doe ik niet in vertrouwen dat wat er op dat moment van me gevraagd wordt, maar ben ik gericht op mijn eigen plannetjes, mijn eigen schema en prioriteitenlijstje. Wie deze dag, dit uur, dit moment helemaal durft over te geven in Gods handen, die leeft en handelt vanuit de ontspanning van de eeuwigheid.

Wie haast heeft, vertraagt de dingen van God, zegt Sint Vincentius. Met mijn takenlijstje leg ik niet alleen druk op mezelf, maar loop ik God wellicht ook nog voor de voeten. Hebben de dingen van God dan nooit haast? Jawel, maar er is een verschil tussen laten we zeggen haast door tijdsdruk of door de druk die je jezelf oplegt en haast door puur innerlijke gedrevenheid. Het verschil is subtiel, maar wel te voelen. De laatste is een haast die je voelt terwijl je verder zorgeloos en vol vertrouwen helemaal in het hier en nu bent.

De pulserende beweging van de liefde die zijn weg zoekt door jouw leven heen, door jouw bestaan heen, door jouw lichaam heen – van diep van binnen tot via je hart, je mond en je handen naar buiten – die puls heeft geen weet van tijd, geen weet van oordelen over en verwachtingen van onszelf. Ze stroomt onophoudelijk. Tenzij wij druk ervaren of uitoefenen, op welke manier dan ook. Dan vernauwt zich onze innerlijke ruimte en stokt de stroom. Die goddelijke puls, je hoeft er niets voor te doen, je hoeft er alleen voor te láten. Je hoeft alleen maar níet te doen. Niet angstig vooruitzien, je geen zorgen maken, niet bang zijn voor je eigen oordeel over jezelf. Je hoeft alleen maar aanwezig te zijn in dit eeuwige Nu, zodat je open kunt staan om de liefde te ervaren en door je heen te laten stromen en die dingen te doen die zij op dat moment van je vraagt.

De tweede levenshelft

Bij Marcus 1:9

Gisteren was het Aswoensdag. In normale tijden kun je dan een askruisje halen in de kerk. Een overgangsmoment: carnaval is voorbij en de vastentijd begint. Of veertigdagentijd of lijdenstijd of hoe je het ook noemen wilt. De weken die voorafgaan aan Pasen. Op Aswoensdag ga je de drempel over naar een tijd van inkeer en bezinning.

Of je nou meedeint op het ritme van het kerkelijk jaar of niet, deze beweging kennen we allemaal. De beweging van naar binnen keren, tijd voor reflectie, tijd voor de ‘trage vragen’ zoals ze in mijn vakgebied worden genoemd. Wie ben ik? Wat doet mijn bestaan ertoe? Waarom ben ik hier? Vragen die horen bij wat Richard Rohr (en hij heeft het vast ook weer van een ander) noemt: de tweede levenshelft. Dat is een term die om uitleg vraagt.

Je levensreis zou je kunnen indelen in twee fasen. Een fase waarin je opgroeit en je ontwikkelt. Je volgt een opleiding, zoekt werk, vindt een plek om te wonen en misschien een partner die een goede vader of moeder voor eventuele kinderen kan zijn. Een fase van opbouw, van leven in de buitenwereld. Maar er is ook een binnenwereld die onderzocht en gekend wil worden. Een identiteit als – ik noem het maar ‘kind van God’, die ontdekt wil worden. Een roeping die geleefd wil worden. Die identiteit en die roeping dienen zich aan in de tweede levenshelft, of het jou nou uitkomt of niet.

Nou is het woord ‘fase’ een beetje misleidend. Dat klinkt alsof je eerst het een, dan het ander doet. Alsof je je leven in jaren doormidden hakt en, er even van uitgaande dat je 80 wordt, je op je 40ste begint met je tweede levenshelft. Zo is de term niet bedoeld. De eerste levenshelft begint uiteraard bij onze geboorte, de tweede kan beginnen op elk willekeurig moment in je bestaan. Bij sommige mensen komen de vragen naar het waarom en het waartoe al op in hun kindertijd, bij anderen dienen ze zich aan op het moment dat ze te horen krijgen dat ze ongeneeslijk ziek zijn. En sommigen stellen zich die vragen nooit of weten ze succesvol te onderdrukken. De eerste en de tweede levenshelft kunnen gerust tegelijkertijd geleefd worden. Ze wisselen elkaar af, slingeren om elkaar heen, verdiepen elkaar – hoe je het ook zeggen wilt. Om ze taalkundig leuk tegenover elkaar te zetten: de eerste levenshelft gaat over de vraag: hoe voorzie ik in mijn levensonderhoud? En de tweede over de vraag: wat is mijn levensinhoud?

Over de eerste levenshelft van Jezus is ons maar weinig bekend. Matteüs en Lukas besteden er nog íets van aandacht aan. Denk aan de verhalen rond aankondiging en geboorte, naamgeving, besnijdenis, in de tempel als hij 12 jaar oud is. Marcus slaat het allemaal over. Hij gooit de lezer meteen in het diepe: bij het begin van de tweede levenshelft van Jezus. Of om preciezer te zijn: de vormgeving (vormkrijging?) daarvan. Hoofdstuk 1: Johannes de Doper staat in de Jordaan mensen te dopen. En dan wandelt in vers 9 Jezus het evangelie binnen. ‘In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.’ Een zin die vrij feitelijk is – of die in ieder geval zo gelezen kan worden. Maar ja, het is wel het eerste dat over Jezus gezegd wordt. Toch maar eens even over doordenken.

Jezus komt vanuit Nazaret. Hij verlaat dus zijn woonplaats. Hij verlaat de plek waar hij vandaan komt, waar hij bekend is. De plek waar hij wat opgebouwd heeft. De plek waar hij wat voorstelt – of in ieder geval: waar mensen hem kennen en een beeld van hem hebben, of dat nou positief of negatief is. Hij verlaat zijn ‘huis’.

Jezus gaat naar de Jordaan. Een rivier zoekt altijd het laagste punt in een landschap. Jezus daalt dus af. Hij maakt een neerwaartse beweging.

Jezus laat zich dopen. Gekomen op het laagste punt, bij de rivier, láát hij zich dopen. Jezus laat zich iets gebeuren en dat is logisch. Je kúnt jezelf niet dopen. Dat moet altijd door een ander gebeuren. Jezus gaat hier op zijn knieën of maakt zich klein en wordt ondergedompeld. Hij geeft zichzelf uit handen, geeft zich over. Hij is zelf passief, ontvankelijk.

Zie je? Daar staat toch eigenlijk een heleboel in dat ene kleine zinnetje. Het zegt allemaal iets over ónze tweede levenshelft. Die begint wanneer wij ons Nazaret verlaten. De plek waar je vandaan komt. De plek waar je bekend bent en de weg weet. Waar je wat voorstelt, hetzij positief, hetzij negatief. Waar mensen een beeld van je hebben en een opvatting over je. Dat alles laat je achter je als je op reis gaat je tweede levenshelft in. De beelden óver jou, de beelden die anderen over jou hebben en die jij over jezelf hebt – daar geloof je niet meer in. En je betreedt een land waar je de weg niet kent; onbekend terrein.

We dalen af naar de rivier. We maken een neerwaartse beweging. We struikelen en vallen – en dat kan vele vormen hebben. Soms is het een bewuste keuze, maar vaak is het het leven zelf dat jou op je knieën dwingt en dat jou onder ogen doet zien hoe klein je eigenlijk bent.

En we laten iets aan ons gebeuren. Je geeft jezelf uit handen. In plaats van zelf te zoeken en te vinden, ben je ontvankelijk en laat je gebeuren wat er op je afkomt. Je wordt gedoopt en iets in jou fluistert: ‘Jij bent mijn geliefde kind.’ Je ontdekt jezelf op een geheel nieuwe manier. Pure opstanding.

We staan aan het begin van de vastentijd. Tijd van inkeer en bezinning. Een moment om ervoor te kiezen deze beweging bewust te maken. Bewust je huis te verlaten, af te dalen en je over te geven aan dat wat er aan jou wil gebeuren.

Liefdesverklaring

Bij 1 Korintiërs 13:13

Halverwege de ochtend loop ik binnen in het hospice. Op het kantoor tref ik de verpleegkundige van dienst met de telefoon aan haar oor. Ze draait met haar ogen. ‘Nog drie wachtenden voor me. Ik kan je intussen wel even vertellen over onze nieuwe bewoner. Man, 66 jaar, getrouwd, geen kinderen, altijd in de reisindustrie gewerkt en nu geveld door een leveraandoening. Had pijn, maar die lijkt nu onder controle. Bij de intake had ik geen gelegenheid om te vragen of je welkom bent. Naar mijn inschatting zijn ze niet gelovig, maar ga maar gewoon. Zijn vrouw is er nu ook.’

Ik klop op de deur en na een ‘Ja?’ loop ik de kamer op. De man ligt in bed, zijn vrouw zit ernaast. ‘Zo, geestelijke zorg. Hebben ze dat hier ook al?’, zegt hij als ik me voorstel. Ik weet even niet hoe ik zijn woorden moet interpreteren. Ik kies maar voor een lichte toon en een milde glimlach. ‘Meneer, wij zijn hier van alle markten thuis.’ Hij weet duidelijk ook niet wat hij van mij moet denken. En zo zitten we in hetzelfde schuitje. Na een ongemakkelijk moment en een aanmoediging van zijn vrouw besluit hij dat hij het wel wil proberen. Ik schuif een stoel bij. Het gesprek loopt stroef en ik zoek mijn toevlucht herhaaldelijk tot zijn vrouw, die toeschietelijker is. Als we de ontmoeting afronden, nodigt zijn vrouw me expliciet uit om vaker langs te komen. Meneer draait zijn hoofd met een snelle ruk naar haar toe, maar zegt niets. Ik beloof haar dat ik het zal doen. Of ik hém er een plezier mee doe – ik vraag het me af. Op de gang adem ik diep in en blaas lang uit.

Meneer blijft een hele poos in het hospice en in de loop der tijd verandert ons contact. Stap voor stap groeit het vertrouwen en in het kielzog daarvan de ontspanning. Dan gaat meneer ineens hard achteruit. Als de verpleegkundige me dat vertelt, ga ik er meteen naartoe. Ik tref hem half-slapend aan, met zijn vrouw aan zijn zijde. Als ze ziet dat ik het ben, schudt ze hem liefdevol wakker. ‘Hé, Marga is er’, zegt ze hardop en voegt er fluisterend naar mij aan toe: ‘Je komt als geroepen.’ Hij opent zijn ogen en kijkt me lodderig aan. Na wat kleine ingrepen (hoofdeinde wat hoger, kussen opschudden, slokje water) heeft hij zijn gebruikelijke helderheid van geest hervonden. ‘Marga’, zegt hij. En hij valt stil. ‘Vertel het maar’, zegt zijn vrouw. ‘Vertel maar wat je gisterenavond zag.’ Hij knikt. Zijn vrouw brengt hem op gang. ‘Er was bezoek geweest en je was moe. Ik zou hier blijven slapen, dus ik maak het bed op. En toen zei je …’ ‘Ja, ik weet het’, onderbreekt hij haar ongeduldig. ‘Marga, ik zag het. Ik zag het dáár’, en hij wijst naar het schilderij van thuis dat tijdelijk hier hangt. Ik draai mijn hoofd naar het doek. Roodtinten, beetje grijs en zwart zo hier en daar. ‘Ja?’, moedig ik hem aan. ‘En wat zag je dan?’ ‘Het was donker. Een groot gat.’ ‘Een groot donker gat’, herhaal ik. Hij knikt en vertelt verder. ‘En het trok aan me.’ Ik weet even niet wat ik moet zeggen. Het klinkt tamelijk angstaanjagend, een donker gat dat aan je trekt. Ik zie aan hem dat dit gesprek veel energie kost. We hebben niet veel tijd. ‘Hoe was dat voor je?’ Hij kijkt me even aan, moe alweer. Maar de uitdrukking op zijn gezicht is ontspannen. ‘Heerlijk. Ik kan daarin verdwijnen.’ Zijn vrouw doet het hoofdeinde weer lager en aait hem over zijn wang. ‘Ga maar weer slapen’, zegt ze. Terwijl hij weer wegzakt, praat ik er nog even met haar over door. ‘Hij was er helemaal van onder de indruk’, zegt ze. ‘Hij vertelde het keer op keer als hij even wakker was. Ik ben blij dat hij het jou heeft kunnen vertellen.’

Twee dagen later ben ik er weer en tref hem slapend met haar zwijgend aan zijn zijde. Als ze me ziet, gaan haar ogen wijd open. ‘Wat fijn dat je er bent! Vannacht was hij ineens klaarwakker en zei: “Je moet Marga bellen.” En toen ik zei dat ik dat midden in de nacht maar even niet ging doen, zei hij: “Maar Marga moet komen. Ze moet het weten.” Ik heb er niet uitgekregen wát je dan moest weten.’ Samen maken we hem zo goed en zo kwaad als het gaat, wakker. Als hij ziet dat ik het ben, maakt zijn hand een kleine beweging. Ik leg mijn hand op de zijne en hij pakt hem verrassend stevig vast. ‘Wat wil je me vertellen?’, vraag ik. Hij knikt. Hij weet dat hij me iets wil vertellen en hij weet precies wát. Met alle kracht die hij nog heeft, fluistert hij: ‘Het is de liefde, Marga, het is de liefde. Dat is het enige belangrijke. De liefde.’ ‘Oké’, zeg ik enigszins overrompeld, ‘het enige belangrijke is de liefde.’ Hij knikt. ‘Vertel het ze, Marga. Vertel het ze in die commerciële wereld. Het gáát niet om handel en geld.’ Hij heeft bijna geen kracht meer. ‘Het gaat alleen maar om …’ Hij hijgt. ‘Om de liefde’, vul ik aan. Hij knikt. Zijn ogen vallen dicht. Hij steekt een krachteloze vinger in de lucht. ‘Dat gat …’ Ik draai mijn hoofd naar het schilderij en kijk dan weer naar hem. ‘Dat gat was de liefde?’, vraag ik. Hij knikt. Zijn hoofd zakt opzij. Afgedraaid en op. Maar hij heeft het gered. Ik houd zijn hand nog een tijdje vast, zijn vrouw strijkt hem over zijn haar en hij zakt weer weg.

Op de fiets naar huis komen de slotwoorden van de grote lofzang op de liefde in me boven. ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie’, dicht Paulus, ‘maar de grootste daarvan is de liefde.’ Nee, gelovig op de manier waarop wij het meestal bedoelen, was deze man niet. Maar oog in oog met de dood heeft hij de liefde gezien en ervaren. En die ontdekking kleurt met terug- en vooruitwerkende kracht zijn hele bestaan: zijn worden, zijn zijn en zijn geweest zijn.

De volgende dag ontvang ik een berichtje van het hospice. Meneer is die nacht overleden. ‘In alle rust, met zijn vrouw aan zijn zijde’, staat erbij. Nee, denk ik, deze meneer is niet overleden. Deze meneer is opgenomen in een groot, donker gat, dat niet angstaanjagend is, maar dat bestaat uit pure liefde. Daarin is hij opgenomen en verdwenen. Deze meneer is, voorbij aan zichzelf, zuivere liefde geworden.

Kieren

Bij Genesis 1:1

Op bezoek bij een vriend die beeldend kunstenaar is. Of we willen zien waar hij op dit moment mee bezig is. Natuurlijk willen we dat en hij troont ons mee naar zijn atelier. Op de ezel staat een groot doek. Met potlood erop geschetst wat het worden gaat. Ik zie honderd verschillende vormen. Een paar van die vormen zijn al op kleur gebracht. Iets dat als onderste kleur roodbruin heeft, iets dat nu alleen nog donkergroen is. Een enkele vorm is al helemaal af – nou ja, in mijn ogen dan. Herkenbaar als watervogel, gedetailleerd weergegeven, elk veertje apart aangezet. Herkenbaar als plant met verschillende kleuren groen. Ongelooflijk, wat een geduld moet je daarvoor hebben.

Hij vertelt over hoe hij werkt. Hij laat zijn schriftje zien met kleine schetsen. ‘Daar schets ik in als ik een idee krijg. Ik heb altijd een schriftje bij me voor het geval dat. Op mijn nachtkastje ligt er ook een. Al die losse ideeën worden op de een of andere manier een geheel en dan zet ik het op een doek. Over de potloodschets gaat een basiskleur en dan ga ik invullen.’ Basiskleur? Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. Verhip, het doek is inderdaad niet wit maar heel licht groengrijs. Ik vraag erop door. ‘Die basiskleur maakt het doek tot een geheel. Hoe licht hij ook is, hij schemert toch door alle lagen verf heen, en speelt dus een rol in, of liever ónder alle verschillende dieren en planten. En hoe dicht alles ook op elkaar staat, er is vaak, al is het minimaal, ruimte tussen de verschillende vormen. En doordat die kieren allemaal dezelfde kleur hebben, ademt het doek eenheid.’

Zijn woorden maken me in een fractie van een seconde bewust van mijn kijkervaring – niet alleen bij kunst, maar ook in mijn dagelijks leven. De duidelijke kleuren, de stevige kwaststreken, de strak omlijnde vormen zijn duidelijk zichtbaar voor mijn oog en trekken de aandacht naar zich toe. De vormen van de dieren en planten op dit doek overstemmen de sobere, subtiele grondlaag. De grondkleur wordt bij wijze van spreken overschreeuwd; is alleen direct waar te nemen voor mijn oog in de kieren tussen de vormen. Maar daar moet ik wel op gewezen worden, want anders ben ik het mij niet bewust.

Als ik nadenk over of innerlijk verwijl bij de betekenis van scheppen, van creativiteit, heb ik me altijd blindgestaard op de vormen. Op het concrete resultaat. Op de uitkomst van een proces. Op de tastbare, hoorbare, zichtbare uiting van iets dat ontstaat uit een niet zintuiglijk waarneembare bron. Een tekst, een beeld, een stuk muziek. Door wat deze bevriende kunstenaar zegt, worden mijn ogen ineens geopend voor de rol die de grond waaruit de kunst voortkomt, de bron zelf, speelt onder de vormen en in de tussenruimte. De eenheid die te ervaren is ín de veelheid – of liever misschien: erin en er tussendoor. Mijn ogen worden straks, als het doek af is, allereerst getrokken naar de vele verschillende vogels en planten die erop te zien zijn. Naar alle verschillende kleuren en vormen. Maar daaronder, weet ik nu, is die basiskleur. Die schemert door alle lagen verf heen, nauwelijks waarneembaar misschien voor mijn oog, maar toch. En tussen de verschillende vormen op het doek zit altijd een klein beetje ruimte. Een kiertje. En daar komt de basiskleur aan het licht.

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor beeldende kunst, dit geldt voor alles wat geschapen is. Ook voor jou en mij. Door alle lagen van mijn bestaan heen schemert de grond waaruit ik voortkom. Tussen alle verschillende delen van mijn bestaan door, in de kieren, is de oerbron zelf te zien.

‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ De schepping, de aarde, die ertoe bestemd is onze leefruimte te zijn. Land, water en lucht, alle drie gevuld met allerlei levende wezens. Vormen waardoorheen de oerbron van alles schemert. Vormen, waarvan de kieren ertussen zicht geven op of ervaring geven van de Ene bron.

Jij en ik, twee verschillende vormen. Vormen waardoorheen de oerbron van alles schemert. Vormen, waarvan de kieren ertussen zicht geven op of ervaring geven van de Ene bron.

De eenheid is te ervaren in de tussenruimte, in de kieren.

De woordloze stilte die te horen is in de pauzes tussen de woorden die wij spreken en horen.

De grondloze grond onder onze voeten die we voelen op de bodem van de afgrond waarin we gevallen zijn.

Het licht dat we zien wanneer het niet overstraald wordt door al het kunstlicht in ons bestaan.

Het tijdloze, dat te ervaren is aan de rand van onze tijdsbeleving.

De ademruimte die we vinden onder onze benauwdheid.

De heelheid die we vinden tussen de brokstukken van ons leven.

Het beeldloze waaruit alle vormen ontstaan, het woordloze waaruit geschreven woorden voortkomen, de stilte waaruit muziek geboren wordt.

De bron van alle bestaan is te ervaren voor wie door de verschillende vormen heen en er tussendoor durft te kijken.