Parelduiken in de bijbel

Plaatsloos

Bij Johannes 20:2, 13 en 15

Soms gebeurt dit: ik ben een preek aan het voorbereiden en zit dus met mijn neus in de bijbel. Vertalen, zorgvuldig lezen, verbindingen uitpluizen met andere teksten, mediteren op woorden of beelden. En dan ineens stuit ik op iets, waardoor die hele bijbel opengaat. Werkelijk, ik zou niet weten hoe ik het anders moet zeggen. Of misschien zo: niet de bijbel gaat open, maar mijn ogen!

Deze keer was het door een heel simpel woordje: waar. En dan niet waar als van waarheid, maar waar als: Waar zijn ze? De aanleiding om het op te gaan zoeken zal ik je besparen, maar mijn nieuwsgierigheid was door iets gewekt en ik zocht op hoe vaak en op welke plaatsen in de evangeliën het woord ‘waar’ voorkomt. Wel. In Matteüs vier keer, in Marcus drie keer, in Lukas zeven keer en in Johannes … achttien keer. Dat is meer dan in die andere drie bij elkaar! Ik keek nog eens goed en het woord wordt in het Johannesevangelie verspreid gebruikt, alleen in hoofdstuk 20 wel drie keer. Ik was meteen wakker. Johannes 20 is het paasverhaal. Ik bladeren en o ja, natuurlijk. Maria Magdalena bij het open graf. Steen voor het graf weg, lichaam van Jezus weg, Maria radeloos. Ze zegt drie keer min of meer hetzelfde: ‘Ze hebben mijn meester weggenomen en ik weet niet waar ze hem hebben neergelegd.’ En ik vóelde het vonken in mijn hoofd.

Maria zoekt haar overleden meester op een plaats, namelijk daar waar ze hem hebben neergelegd. Maar nu ze daar terugkomt, ervaart ze wat iedereen die ooit gerouwd heeft zal herkennen: ze zoekt hém, daar waar ze hem hebben achtergelaten, maar ze vindt een lege plek. Ze blijft denken in plaats en zegt: ik weet niet wáár hij is!

Natúúrlijk weet Maria niet wáár Jezus is. Er ís geen ‘waar’ meer als het om de gestorven Jezus gaat. Er is geen plaats waar hij is. Hij is plaatsloos geworden. Waar-loos. Jezus is niet meer hier wél en daar níet, zoals toen hij levend was. Hij is, in de woorden van de middeleeuwse mysticus Meester Eckhart, overal en te allen tijde op gelijke wijze ervaarbaar. Geheel los van tijd, los van plaats, los van alles.

Er ís geen ‘waar’ meer als het om gestorven geliefden gaat. Er is geen plaats waar onze overleden geliefden zijn. Wij stellen ons misschien een hemel voor (of hebben dat ooit gedaan) als een parallel universum, waar we vrolijk doorleven alsof er niets gebeurd is. Maar er is wél iets gebeurd. Overledenen zijn plaatsloos geworden. Waar-loos. Ze zijn niet meer hier wél en daar níet, zoals levende mensen zijn. Nou ja, dat formuleer ik niet helemaal goed. Ik moet schrijven: die ene mens is niet meer híer op déze plek waarneembaar en daar op die plek niet. Als je zoekt op de plaats waar je hem of haar hebt achtergelaten, vind je alleen een lege plek.

Ik schrijf niet dat je geen gevoelens van verdriet, boosheid en verlatenheid mag of hoeft te hebben als een geliefde is overleden! Ik schrijf ook niet dat het eenvoudig is om tot dit perspectief te komen. Ik wil alleen beschrijven dat dit óók een mogelijkheid is.

Telkens tegen die lege plek oplopen is pijnlijk en kan een mens tot radeloosheid brengen, zoals Maria radeloos de tuinman aanklampt om te vragen of híj weet waar haar meester is. Maar ín die lege plek zit iets verborgen. Een opening, een vergezicht. Want die ene mens is niet meer hier wél en daar níet. Die ene mens is plaatsloos geworden. Hij of zij is overal en te allen tijde op gelijke wijze ervaarbaar. Geheel los van tijd, los van plaats, los van alles.

Eerder in een Parelduiker citeerde ik al eens Joan Halifax. Zij is een Amerikaanse zen-boeddhiste en ze begeleidt stervenden. Daarover schreef ze een boek: De laatste woorden van liefde. Daarin schrijft ze ook over de dood van haar vader. ‘Na zijn dood zat ik naast zijn lichaam en vroeg ik me af waar zijn ‘zelf’ was gebleven. Is een deel van hem vastgelegd en altijd blijvend? Maar toen zag ik duidelijk dat mijn vaders’ zelf niet aan een plaats gebonden is. (…) Hij is nu overal.’ En let op, nu komt het: ‘In wezen was hij altijd al overal, alleen nam ik hem op één plek waar en niet als universele aanwezigheid. Tot hij stierf.’

Het zit hem dus in onze waarneming. Overledenen zijn niet plaatsloos gewórden. Plaatsloos waren ze altijd al, alleen namen wij het niet waar.

Wij nemen levende mensen waar als op één plek. Maar mensen zijn niet alleen lichamelijke wezens en dus plaatsgebonden. Ze zijn óók, tegelijkertijd, in wezen plaatsloos. Dat geeft ons een … uitdaging, om het hip te zeggen. Namelijk te leren om dóór het plaatselijke van een mens heen te kijken en te zien wie hij of zij nog meer is dan lichaam alleen. Doorstoten tot het plaatsloze, het waarloze zijn van jezelf en van anderen en van andere schepselen. Rek je waarneming op of sta in ieder geval open voor wat je niet kunt bedenken of voor mogelijk houdt. Ontdek dat ieder mens, voor zover je het ‘kind van God zijn’ in hem of haar herkent, net als God zelf overal en te allen tijde op gelijke wijze tegenwoordig is.

Mij ontbreekt niets

Bij Psalm 23:1

Ach, wat is fietsvakantie toch heerlijk. Oké, ik geef toe: je moet er behoorlijk wat comfort voor opgeven. Je bent 24 uur per dag buiten, rijdt door weer en wind en slaapt niet op je zachte matras. En dan heb ik het nog niet eens over de bijkomende spier- en andere pijnen. Maar het gevoel van vrijheid dat ik de afgelopen drie weken weer heb gehad – het is ongekend.

’s Ochtends sta ik op, trek mijn fietskleren aan, rol de matjes op, ruim de binnentent leeg. Ik eet een boterham en drink thee. Dan moet de rest van de tent eraan geloven en voordat ik het weet, staan de fietsen beladen klaar en kunnen we vertrekken. Nog een keer omkijken, nee, er ligt niets meer. Vuilnis deponeren in de bakken bij de ingang van de camping en weg zijn we. Vaak zo vroeg dat de meeste andere campingbewoners nog op één oor liggen.

En daar gaan we. De dag ligt open. We hebben geen idee wat de komende uren ons gaan brengen. Waar we onze tenten aan het eind van de middag zullen opslaan? Of de wind ons gunstig gezind zal zijn? Of we een bui op ons dak zullen krijgen? Een lekke band of andere pech moeten verhelpen? Of we een leuk museum zullen ontdekken? Of we onderweg in een charmant stadje op een terrasje in de zon kunnen zitten? Het ligt allemaal verborgen in de toekomst. Eén ding weet ik: hiermee doen we het vandaag. Met deze vier mensen, met deze vier fietsen, met de bepakking die daarop zit en met wat we in de supermarkt nog zullen inslaan voor het komende etmaal. Niet meer, niet minder. We hebben alles bij ons wat we nodig hebben.

En dát is vrijheid. Complete vrijheid. Hoe eenvoudig en oncomfortabel het misschien mag lijken, ik heb inderdaad alles wat ik nodig heb, daar op mijn fiets door het stille landschap met de dag nog openliggend voor me. En als er iets blijkt te ontbreken, dan doen we het maar zonder. Of er komt links- of rechtsom een oplossing.

De andere 49 weken van het jaar voel ik me blijkbaar niet zo vrij, want het valt me elk jaar weer op dat het die drie zomerweken wél zo is. Nu kun je denken: ja maar de rest van het jaar moet je naar je werk en dat soort dingen, maar daar zit het hem niet in. Want wat geeft mij het gevoel van vrijheid? Dat ik alles heb wat ik nodig heb en dat als er iets ontbreekt, ik wel wat improviseer met wat er wél is. Maar waarom zou ik me eigenlijk niet altijd zo voelen? Wat héb ik de rest van het jaar dan nodig? Wat doet me af en toe zorgelijk voelen? Dat ik tekort heb of zou kunnen komen! Tekort aan tijd. Tekort aan inspiratie. En daar sluipt het gevoel van beperking en beklemming mijn leven binnen.

De beginwoorden van Psalm 23 vertellen van een andere mogelijkheid om naar mijn leven te kijken. ‘De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets.’ Ik heb die woorden altijd een beetje als een terechtwijzing verstaan. Ik heb dat gevoel immers niet altijd, dat mij niets ontbreekt. Of op zijn minst heb ik niet altijd het vertrouwen dat het mij aan niets zal ontbreken. Blijkbaar geloof ik dan niet goed genoeg. Blijkbaar heb ik me dus nog steeds niet genoeg toevertrouwd aan de Herder. Zie je? Het zelfverwijt ligt op de loer. Ik leg mezelf langs de meetlat.

Maar de psalmist zegt niet: als je gebrek hebt aan iets, dan geloof je blijkbaar niet genoeg of goed genoeg. Hij zegt niet: geloof en de Heer zal je belonen. Hij schrijft mij niet voor hoe ik moet geloven. Nee, hij beschrijft zijn innerlijke houding tegenover het leven en wat het leven je kan brengen. En dat is een houding van toevertrouwen en overgave. En die brengt de vrijheid die ik van mijn fietsreizen ken. Die vrijheid, het is zijn levensgevoel.

De psalmist zegt me: ‘Het kán, je gewone dagelijkse bestaan in vrijheid leven. Het vraagt wel een innerlijke keuze, elke dag weer. Iets als: ik weet niet wat de dag me brengt, maar ik heb alles wat ik nodig heb en als er iets ontbreekt of er doet zich een probleem voor, dan komt er wel een oplossing. Of ik improviseer wat met wat we wél is. Of ik vraag om hulp. Mij ontbreekt niets.’ En speciaal voor mij voegt hij eraan toe: ‘En ja, óók voor tijd en inspiratie geldt: ik heb alles wat ik nodig heb en als er iets ontbreekt, improviseer ik met wat er wél is.’ En dankbaar voel ik de beperking wegvloeien en de vrijheid binnenstromen.

De psalmist geeft me geen tik op de vingers. Hij nodigt me uit om me niet te laten verblinden door mijn zorgelijkheid en door mijn angst tekort te komen of gebrek te hebben aan iets, maar mijn ogen open te houden voor wat er wél is en het daarmee te doen. In vertrouwen.

Een stofje in het heelal

Bij Genesis 1:3

Met man en kinderen kijk ik naar een aflevering van een tv-serie over het heelal. Het programma doet een behoorlijk beroep op ons voorstellingsvermogen. Het begin is nog bekend en comfortabel: planeet aarde. Dan wordt er stap voor stap uitgezoomd. De aarde als onderdeel van ons zonnestelsel. Ons zonnestelsel als onderdeel van de Melkweg. De Melkweg als een van de vele, vele sterrenstelsels. Het is duizelingwekkend en niet te bevatten. Zo groot en ruim en leeg als de kosmos is. En wij zweven daar ergens in die leegte, die nog steeds uitdijt en groter en leger wordt en we moeten maar hopen dat de krachten die ons in onze baan houden, sterk genoeg blijven.

Onze puberdochter wordt er onrustig van. Ze zit te schuiven en te draaien. Uiteindelijk slaat ze haar handen voor haar ogen. ‘Ik kan dit niet zien!’ Ik sla mijn arm om haar heen en druk een kus op haar haar. De beelden zijn inderdaad een aanslag op je gevoel van veiligheid en geborgenheid. Van zinvolheid, ook. Want als we inderdaad zo klein zijn, zo bijna helemaal niets – wat zou je dan nog moeite doen om je cijfer voor aardrijkskunde op te halen? Wat zou je dan nog oefenen voor altvioolles? Wat doet je bestaan er dan nog toe?

In de week erna lees ik in een boekje van de Spaanse middeleeuwse mysticus Johannes van het Kruis. Zijn woorden roepen bij mij een herinnering wakker. Op fietsvakantie rijden we door Frankrijk. Het is laat in de middag; achter ons ligt een lange en hete dag. We doorkruisen een dorpje. Op zoek naar een koele plek voor een laatste pauze stappen we bij de kerk af en gaan er naar binnen. We zetten ons op een bank en drinken wat uit onze bidon. Als ik voldoende ben bijgekomen van de inspanning van de afgelopen kilometers, krijg ik oog voor de ruimte waarin ik me bevind. Een klein altaar voorin. Verse bloemen. Een kruisbeeld. Lege banken voor me. Door de hoge, smalle ramen valt het zonlicht naar binnen. Het licht maakt van die prachtige banen in de ruimte. Scherp getekend. Ik kijk er een tijd lang in stilte naar en geniet van de schoonheid van het tafereel.

Dan verschuift mijn aandacht zich. Ik zie niet langer de banen licht, maar één enkele baan. Hij wordt steeds compacter, steeds dichter, bijna vast. Alsof ik hem zou kunnen aanraken. Ik blijf kijken en ineens zie ik het. De baan líjkt uit licht te bestaan. Maar in werkelijkheid bestaat hij uit honderdduizend zwevende deeltjes waarop het licht valt. Stofjes. Zie je het ook? Licht op zichzelf is niet zichtbaar. Pas als het op iets valt, zie je dat er licht is. Hier in dit koele kerkje zijn het allemaal kleine stofjes die ervoor zorgen dat ik het licht kan waarnemen in banen, die bijna tastbaar zijn.

Dus lieve dochter, ja, je hebt het goed gezien en goed gevoeld. Je bent niet meer dan een stofje op onze planeet. En onze planeet is niet meer dan een stofje in het heelal. Maar daar hoef je niet moedeloos van te worden. Elk stofje is een gelegenheid, een kans. Een mogelijkheid voor het licht om zichtbaar te worden. Zoals die stofjes in dat kerkje mij het licht van de middagzon lieten zien, zo kun jij een stofje zijn op deze aarde, waarop het licht kan vallen en zo zichtbaar kan worden. Licht van den beginne, dat voor de mensen om je heen te ervaren is in jouw bestaan.

Wandelen met God

Bij Genesis 5:24

Ik schreef de vorige keer over Henoch, die eruit springt in een geslachtslijst van tien generaties. Alle andere mannen sterven. Henoch niet; die wordt opgenomen door God. ‘Logisch’, bromt mijn verstand. ‘Al die andere mannen zijn gewoon mensen. Henoch was een geval apart; hij wandelde met God. Het staat er nota bene twee keer!’ Zou het? Zou Henoch een bijzonder geval zijn? ‘Ja, het stáát er toch! En bovendien: je denkt toch niet dat God tijd heeft om maar met iederéén te wandelen! Velen zijn geroepen, slechts weinigen uitverkoren!’, moppert mijn verstand.

Ik zucht diep. Zo vastgeroest zitten ze dus, die oude beelden. God die persoonachtige vormen aanneemt. God die enkelen als de zijnen uitkiest en de rest van de mensheid aan zichzelf overlaat. Hardnekkig tot en met – bij mij, tenminste. Ik citeer de middeleeuwse mysticus Meester Eckhart nog maar eens: ‘God is overal en te allen tijde op gelijke wijze tegenwoordig.’ Zo. Dat veegt beide beelden in een keer van tafel. God is niet beperkt tot zo nu en dan; en ook niet tot wél hier en níet daar (of andersom). Áls we het zo ervaren, dan is dat ons gebrek, schrijf Eckhart er voor de zekerheid bij. Aan God ligt het niet. Hij geeft zichzelf voortdurend en overal op dezelfde manier. Dus is het ook niet zo dat God enkelen uitkiest als de zijnen en voor anderen onbereikbaar is.

Er zijn inderdaad verschillen in wat mensen ervaren van God. Van complete stilte op de lijn tot aan heftige mystieke ervaringen. Er zijn tot de verbeelding sprekende beschrijvingen van die ervaringen. De extase van Teresa van Ávila, om er maar eentje te noemen. Haar hart werd doorboord met een vurige pijl van liefde. Je zou kunnen denken: Teresa wandelde blijkbaar met God. Ze was uitverkoren tot vriendin van God.

Zo’n ervaring is een geschenk. Maar wel een geschenk waarmee je enigszins omzichtig moet omgaan. De grote mystici benadrukken keer op keer: je kunt zo’n ervaring maar beter meteen vergeten. Het gaat namelijk niet om die ene ervaring, maar om wat die bewerkstelligt in je leven. De naaste medewerker van Teresa, Johannes van het Kruis, schrijft ergens dat je zo’n ervaring, hoe groot of klein ook, moet ontdoen van zijn zintuiglijke schil. Hem helemaal moet afpellen, totdat alleen de geestelijke inhoud van de ervaring overblijft. Want om die inhoud is de ervaring je gegeven. En het gaat erom dat die inhoud doorwerkt in je dagelijks bestaan. Wie zich vastklampt aan en terugverlangt naar de ervaring zelf (en zich dus focust op de plaats waar, de persoon met wie, het gevoel waarmee je de ervaring beleefde), die staart zich blind op de buitenkant en de ervaring wordt niet vruchtbaar. Gemiste kans.

Hoe moet die ervaring dan vruchtbaar worden? Om kort te gaan: de ervaring kan je de ogen openen voor iets dat al zo was, maar wat je nu gaat zien: de goddelijke dimensie, de dimensie van Liefde, in ons bestaan. Het gaat er niet om of je God ervaart, maar of je de werkelijkheid, je dagelijks bestaan als goddelijk ervaart. Het gaat er niet om dat je mystieke ervaringen hebt, maar om het als mystiek ervaren van de werkelijkheid. Nogmaals: dat is niet iets dat een enkeling wordt gegeven. Deze mogelijkheid ligt voor iedereen open. Alleen moet je het wel leren, wíllen, de keuze maken, jezelf toestaan. Kijk naar Henoch. Ik denk dat hij net zo’n normaal mens was als de anderen in deze lijst. Ik denk alleen dat hij zijn leven, de werkelijkheid op een andere manier beleefde dan zijn voorvaders en nakomelingen. Hij ervoer zijn leven als een wandeling met God.

Hoe gaat dat, wandelen? Je gaat samen op weg, je loopt als het kan naast elkaar, maar soms moet je in ganzenpas. Je volgt de weg en bij een splitsing overleg je welke kant je opgaat. Je struint door een veld en spreekt af op welk punt in de verte je afloopt. Het is warm en je deelt je water. Soms is het stil, soms wijs je elkaar op iets dat je ziet, soms spreek je over iets dat zich aan je binnenkant afspeelt. Je past je aan aan elkaars tempo. Je bemoedigt elkaar als het zwaar wordt, steekt een hand uit als de ander ergens een grote stap overheen moet nemen. Je onderbreekt de wandeling om op een bankje te zitten en van het uitzicht te genieten. Je deelt de stilte, je deelt het ervaren van de omgeving, je deelt je leven. Je ontvangt de ander in jouw leven en de ander ontvangt jou in zijn leven. Je neemt deel aan elkaar. Zoiets is wandelen met God.

Terug naar de geslachtslijst. Sterven of opgenomen worden – er gebéúrt niet iets anders. Ook Henoch sterft gewoon, zoals die andere negen mannen in de geslachtslijst. Alleen erváárt Henoch het anders. Hij zou er, als hij teruggekomen was om ons erover te vertellen, andere woorden voor gebruikt hebben – voor zijn leven en voor zijn sterven. Eén en hetzelfde gebeuren, maar verschillende manieren om het te beleven, om het te verwoorden. Die weg ligt voor iedereen open.