Parelduiken in de bijbel

Als een vis in het water

Bij Handelingen 17:28

‘In Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.’ In het vuur van zijn betoog gooit Paulus het er zomaar uit. Prachtige woorden. In Hem leven wij – of we het nou merken of niet, of we het ons nou bewust zijn of niet. In Hem leven wij! God is overal en te allen tijde op gelijke wijze tegenwoordig, schrijft de middeleeuwse mysticus Meester Eckhart. Overal en altijd is God voor ons op dezelfde wijze ervaarbaar. Het enige is: zijn onze ogen geopend? Is ons hart erop gericht?

Wil je groeien in je leven en in je geloof? Leer je dan af te stemmen op deze dimensie van onze werkelijkheid. Je bent erop aangelegd, je hebt de mogelijkheid in je. Zoals een vis erop aangelegd is om te leven in het water. Zo ben jij erop aangelegd om God te ervaren in je en om je heen. Je moet die vaardigheid in potentie natuurlijk wel ontwikkelen. Je moet gevoeliger worden, je leren af te stemmen op die dimensie. Het moet stiller worden in jou, zodat je de fluisterstem van God kunt gaan horen en verstaan.

Ja, dat kost tijd en moeite. Je moet je eraan geven. Je moet discipline opbrengen. Maar wat een landschap opent zich! Een weids uitzicht in jou. Want wie de stem van God waarneemt, wie zich een richting laat opsturen door zijn geest, wie gevoeliger wordt voor de druk die hij uitoefent – hoe je het ook zeggen wilt, die is zich bewust van een keuze. Ga ik in op de uitnodiging, op de vraag? Jij, mens, wordt door God zelf genodigd om antwoord te geven. Jij mag kiezen: ga ik mee in deze stroom of niet? Zeg ik ja of nee?

Wie ja zegt, zal ervaren dat hij van tijd tot tijd ingezet wordt voor iets dat zijn eigen bestaan verre te boven gaat. Hij wordt bij wijze van spreken als een stuk gereedschap opgepakt en gebruikt om in de spirituele dimensie iets te veranderen, in gang te zetten of te helen. Iets wat bij mensen onmogelijk is, blijkt dan mogelijk te zijn in God.

‘In Hem leven wij, bewegen wij en zijn wij.’ We worden door God omvangen op velerlei manieren. Of we dat nou willen of niet, of we het ons nou bewust zijn of niet. Maar aangezien het toch zo is, kunnen we maar beter leren om ons ertoe te verhouden. Mee te werken als ons dat gevraagd wordt. En wie weet wat voor wonderen er dan gebeuren.

Houd mij niet vast

Bij Johannes 20:17

De tuin van het graf, vroeg in de ochtend. Duisternis hangt over de aarde, duisternis hangt over het leven. Jezus, ‘mijn meester’, is dood en begraven. Maria van Magdala komt bij het graf en ziet: de steen is weg. Het graf is open. Open en leeg. Ze weent. ‘Vrouw, waarom huil je? Wie zoek je?’, vraagt de tuinman, die achter haar staat. ‘Heer, als u hem hebt weggenomen, zeg me waar u hem hebt neergelegd en ook ik neem hem weg.’ Als de tuinman haar naam noemt, ‘Maria!’, ziet en hoort zij: het is Jezus. ‘Mijn meester!’ En dan volgt Jezus’ antwoord: ‘Houd mij niet vast.’

Houd mij niet vast! Wat een moment! Totale shock en verbijstering en dan horen: ‘Houd mij niet vast.’ Ik houd je op minstens een armlengte afstand. Is dat liefde?

‘Houd mij niet vast.’ Het heeft mij altijd streng in de oren geklonken. Het harde gebod. Of verbod, eigenlijk. Dat verdraagt zich maar moeilijk met bijvoorbeeld: ‘Kom tot mij, allen die vermoeid en belast zijt.’ En toch, toch zijn dit woorden van vertrouwen, van troost. Van liefde, ja.

‘Houd mij niet vast.’  In de kunstgeschiedenis heet dit moment: noli me tangere. In het Latijn kun je een verbod op twee manieren verwoorden. In de ontkennende gebiedende wijs (‘Houd mij niet vast’) of in een constructie met het werkwoord nolere, niet willen. En dat wordt hier gebruikt. Letterlijk staat hier dus niet: ‘Houd mij niet vast’, maar: ‘Wil mij niet vasthouden.’ Een klein verschil, maar voor mij maakt de nuance wel degelijk uit. Jezus verbiedt hier niet, hij nodigt uit om iets te laten. Hij nodigt Maria uit om hem te laten gaan. Om het wilsbesluit te nemen om hem te laten gaan. Om afscheid te nemen van zijn fysieke, lichamelijke, menselijke nabij zijn. Hij nodigt óns uit om hem niet te zien zoals we hem fysiek, oppervlakkig zien: als mens van rond het jaar nul, Heer en Heiland, Redder van ons zielenheil, ‘mijn meester’. Nee, hij nodigt ons uit om die uiterlijke Jezus te laten voor wat hij is en onze ogen te openen voor de Christus, de Opgestane, die hij ten diepste is – hier en nu, altijd en overal, eeuwig.

De Opgestane is niet een persoon van ongeveer tweeduizend jaar terug, van ergens ver weg. Nee, de Opgestane woont in ons allemaal. De Opgestane is het nieuwe leven, dat door de dood heengegaan is. Het nieuwe leven, dat in ons verborgen zit en dat niets liever wil dan stromen, naar buiten komen, overvloeien. Het nieuwe leven: pure Liefde die zichzelf wil geven.

‘Houd mij niet vast.’ Het is geen verbod om je aan hem vast te klampen, maar een uitnodiging om de uiterlijke Jezus los te laten, het opstandingsleven in jezelf te ontdekken en jezelf daar voluit aan toe te wijden.

Erfgenaam

Bij Matteüs 19:29

‘En ieder die broers of zusters, vader, moeder of kinderen, akkers of huizen heeft losgelaten omwille van mijn naam (…) zal het eeuwige leven beërven.’ Krasse woorden weer van Jezus. Je familie loslaten. Je meest nabijen. Of in ieder geval: de mensen uit wie jij voortkomt. En alles wat méékomt met die familie – in de agrarische omgeving van toen: akkers en huizen. Aan de kant ermee! Hoe komt hij erop.

Ik ben geen boerendochter en we hebben geen familiebedrijf. We hebben wel een geestelijk ambt dat al generaties lang van vader op zoon of dochter wordt overgedragen. Van dwang is bij mij nooit sprake geweest, maar het ambt en het ‘van vader op zoon’ waren wél aanwezig. Ik heb het ambt op me genomen, weer neergelegd en nu op geheel eigen wijze weer opgenomen. Maar zonder worsteling is dat niet gegaan. Deze woorden van Jezus helpen me, terugkijkend, om te zien welke krachten er spelen en hoeveel vrijheid een mens eigenlijk heeft.

Jezus vraagt me niet om te breken met mijn ouders en broers. Maar hij vraagt me wel om diep naar binnen te kijken en antwoord te geven op de vraag die hij impliciet stelt. Wie ben ik? Ben ik kind van mijn ouders, kleinkind van mijn grootouders, achterkleinkind van mijn overgrootouders en zo voort? Ben ik een kleine schakel in die hele ketting van generaties die eindeloos teruggaat en zich voor mij uit uitstrekt? En aanvaard ik kritiekloos, of omdat het niet anders kan, alles wat overgedragen wordt aan last, pijn, verwachtingen en opdrachten?

Ik ben een kind van mijn ouders, een schakel in mijn familie. Dat is één mogelijk antwoord op de vraag ‘Wie ben ik?’. Jezus opent mijn ogen voor een andere mogelijkheid. Natuurlijk kom ik voort uit mijn ouders, maar mijn meest wezenlijke antwoord op de vraag naar mijn identiteit is: ik ben kind van God. Uniek, eigen – en helemaal vrij. Ik heb maar één schakeltje en dat bindt me aan God.

En natuurlijk begint het dan pas. Want ik ben wel terechtgekomen in déze familie en ik zal een eigen antwoord moeten vinden op dat wat onvermijdelijk op me overgedragen wordt. Ik heb nog steeds te maken met lasten, pijn, verwachtingen en opdrachten. Maar dat alles kan ik nu benaderen vanuit de vrijheid die het geeft dat ik mezelf zie als kind van God.

Wiens erfgenaam ben je? Die van je ouders of die van God? En wát erf je dus? Huis en akker of, in mijn geval: een ambt? Of het eeuwig leven – lees: leven in de ruimte van de Eeuwige, in de vrijheid van Gods kinderen? De keuze is aan jou.

Ruimte

Bij 2 Korintiërs 6:12

Met meditatie is iets vreemds aan de hand. Vaak hoor ik bepaalde stemmen in mezelf die me ervan proberen af te leiden. ‘Je bent alleen maar op jezelf gericht!’ ‘Benauwde navelstaarderij!’ ‘Zou je niet eens iets gaan doen voor je naaste?’ Het zijn hardnekkige stemmen, waarvan ik hoopte dat ik ze in de loop der jaren de mond kon snoeren. Maar nee. Dat is de bedoeling van meditatie trouwens ook niet. Deze stemmen mogen er gewoon zijn. Ik leer wel steeds beter om me af te stemmen op die ándere stem, die stille fluisterstem, die verscholen in mij woont, onder al die andere stemmen. Hoe dieper ik in mezelf afdaal, hoe beter ik die ene stem hoor. En in die stem ontmoet ik niet alleen mijzelf, ik ontmoet God. En niet alleen God, maar ook de hele wereld.

Het is een paradox van jewelste, maar het is mijn ervaring: hoe beter ik mijzelf leer kennen, hoe meer ik onder ogen zie wat er in mij leeft en hoe meer ik mijzelf aanvaard – hoe meer ruimte er is voor de ander. Jarenlang onderdrukte ik wat in mij leeft. Ik wilde het niet onder ogen zien en keek de andere kant op. Ik leefde naar buiten gericht. Ik zocht bevestiging bij anderen: in hoge cijfers, in goede prestaties, in vooruitgang en groei, in dankbaarheid voor wat ik gegeven had. Die zoektocht putte me uit. Niets bevestigde mij ten diepste. Ik moest telkens wéér mijn best doen om dat te krijgen wat ik zocht. En onder alles bleef de angst in mij wonen. Een innerlijke benauwdheid. Altijd weer het onveilige gevoel ‘Stel je voor dat …’

‘In uw binnenste is het te eng’, schrijft Paulus aan de gemeente in Korinte. Het zijn woorden die aan mij gericht zijn. Mijn binnenste was eng: een en al benauwdheid, een plek van krampachtig onderdrukken. Om mijn minder mooie kanten niet onder ogen te hoeven zien, ging ik angstvallig buiten op zoek naar wat alleen binnen te vinden is. Nu ik op mijn meditatiebankje leer om stap voor stap eerlijk en open te aanvaarden wat er in mij leeft, leuke en minder leuke dingen, wandelt de ontspanning mijn leven binnen. Er ontstaat een zachte ruimte in mij, waar plaats is voor mijzelf, voor God en de ander.

Juist het onderdrukken van dat wat in je leeft zorgt ervoor dat je op jezelf gericht bent. Want ‘buiten’ zoek je bevestiging en vervulling van wat jij wenst. Wie daarentegen zijn binnenkant kent, aanvaardt wat daar speelt en van daaruit leeft, staat open voor wie op zijn pad komt en heeft iets te bieden: innerlijke ruimte. En één woord dat klinkt vanuit die innerlijke ruimte geneest meer dan duizend woorden gesproken vanuit de benauwdheid.