Parelduiken in de bijbel

De tweede levenshelft

Bij Marcus 1:9

Gisteren was het Aswoensdag. In normale tijden kun je dan een askruisje halen in de kerk. Een overgangsmoment: carnaval is voorbij en de vastentijd begint. Of veertigdagentijd of lijdenstijd of hoe je het ook noemen wilt. De weken die voorafgaan aan Pasen. Op Aswoensdag ga je de drempel over naar een tijd van inkeer en bezinning.

Of je nou meedeint op het ritme van het kerkelijk jaar of niet, deze beweging kennen we allemaal. De beweging van naar binnen keren, tijd voor reflectie, tijd voor de ‘trage vragen’ zoals ze in mijn vakgebied worden genoemd. Wie ben ik? Wat doet mijn bestaan ertoe? Waarom ben ik hier? Vragen die horen bij wat Richard Rohr (en hij heeft het vast ook weer van een ander) noemt: de tweede levenshelft. Dat is een term die om uitleg vraagt.

Je levensreis zou je kunnen indelen in twee fasen. Een fase waarin je opgroeit en je ontwikkelt. Je volgt een opleiding, zoekt werk, vindt een plek om te wonen en misschien een partner die een goede vader of moeder voor eventuele kinderen kan zijn. Een fase van opbouw, van leven in de buitenwereld. Maar er is ook een binnenwereld die onderzocht en gekend wil worden. Een identiteit als – ik noem het maar ‘kind van God’, die ontdekt wil worden. Een roeping die geleefd wil worden. Die identiteit en die roeping dienen zich aan in de tweede levenshelft, of het jou nou uitkomt of niet.

Nou is het woord ‘fase’ een beetje misleidend. Dat klinkt alsof je eerst het een, dan het ander doet. Alsof je je leven in jaren doormidden hakt en, er even van uitgaande dat je 80 wordt, je op je 40ste begint met je tweede levenshelft. Zo is de term niet bedoeld. De eerste levenshelft begint uiteraard bij onze geboorte, de tweede kan beginnen op elk willekeurig moment in je bestaan. Bij sommige mensen komen de vragen naar het waarom en het waartoe al op in hun kindertijd, bij anderen dienen ze zich aan op het moment dat ze te horen krijgen dat ze ongeneeslijk ziek zijn. En sommigen stellen zich die vragen nooit of weten ze succesvol te onderdrukken. De eerste en de tweede levenshelft kunnen gerust tegelijkertijd geleefd worden. Ze wisselen elkaar af, slingeren om elkaar heen, verdiepen elkaar – hoe je het ook zeggen wilt. Om ze taalkundig leuk tegenover elkaar te zetten: de eerste levenshelft gaat over de vraag: hoe voorzie ik in mijn levensonderhoud? En de tweede over de vraag: wat is mijn levensinhoud?

Over de eerste levenshelft van Jezus is ons maar weinig bekend. Matteüs en Lukas besteden er nog íets van aandacht aan. Denk aan de verhalen rond aankondiging en geboorte, naamgeving, besnijdenis, in de tempel als hij 12 jaar oud is. Marcus slaat het allemaal over. Hij gooit de lezer meteen in het diepe: bij het begin van de tweede levenshelft van Jezus. Of om preciezer te zijn: de vormgeving (vormkrijging?) daarvan. Hoofdstuk 1: Johannes de Doper staat in de Jordaan mensen te dopen. En dan wandelt in vers 9 Jezus het evangelie binnen. ‘In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.’ Een zin die vrij feitelijk is – of die in ieder geval zo gelezen kan worden. Maar ja, het is wel het eerste dat over Jezus gezegd wordt. Toch maar eens even over doordenken.

Jezus komt vanuit Nazaret. Hij verlaat dus zijn woonplaats. Hij verlaat de plek waar hij vandaan komt, waar hij bekend is. De plek waar hij wat opgebouwd heeft. De plek waar hij wat voorstelt – of in ieder geval: waar mensen hem kennen en een beeld van hem hebben, of dat nou positief of negatief is. Hij verlaat zijn ‘huis’.

Jezus gaat naar de Jordaan. Een rivier zoekt altijd het laagste punt in een landschap. Jezus daalt dus af. Hij maakt een neerwaartse beweging.

Jezus laat zich dopen. Gekomen op het laagste punt, bij de rivier, láát hij zich dopen. Jezus laat zich iets gebeuren en dat is logisch. Je kúnt jezelf niet dopen. Dat moet altijd door een ander gebeuren. Jezus gaat hier op zijn knieën of maakt zich klein en wordt ondergedompeld. Hij geeft zichzelf uit handen, geeft zich over. Hij is zelf passief, ontvankelijk.

Zie je? Daar staat toch eigenlijk een heleboel in dat ene kleine zinnetje. Het zegt allemaal iets over ónze tweede levenshelft. Die begint wanneer wij ons Nazaret verlaten. De plek waar je vandaan komt. De plek waar je bekend bent en de weg weet. Waar je wat voorstelt, hetzij positief, hetzij negatief. Waar mensen een beeld van je hebben en een opvatting over je. Dat alles laat je achter je als je op reis gaat je tweede levenshelft in. De beelden óver jou, de beelden die anderen over jou hebben en die jij over jezelf hebt – daar geloof je niet meer in. En je betreedt een land waar je de weg niet kent; onbekend terrein.

We dalen af naar de rivier. We maken een neerwaartse beweging. We struikelen en vallen – en dat kan vele vormen hebben. Soms is het een bewuste keuze, maar vaak is het het leven zelf dat jou op je knieën dwingt en dat jou onder ogen doet zien hoe klein je eigenlijk bent.

En we laten iets aan ons gebeuren. Je geeft jezelf uit handen. In plaats van zelf te zoeken en te vinden, ben je ontvankelijk en laat je gebeuren wat er op je afkomt. Je wordt gedoopt en iets in jou fluistert: ‘Jij bent mijn geliefde kind.’ Je ontdekt jezelf op een geheel nieuwe manier. Pure opstanding.

We staan aan het begin van de vastentijd. Tijd van inkeer en bezinning. Een moment om ervoor te kiezen deze beweging bewust te maken. Bewust je huis te verlaten, af te dalen en je over te geven aan dat wat er aan jou wil gebeuren.

Liefdesverklaring

Bij 1 Korintiërs 13:13

Halverwege de ochtend loop ik binnen in het hospice. Op het kantoor tref ik de verpleegkundige van dienst met de telefoon aan haar oor. Ze draait met haar ogen. ‘Nog drie wachtenden voor me. Ik kan je intussen wel even vertellen over onze nieuwe bewoner. Man, 66 jaar, getrouwd, geen kinderen, altijd in de reisindustrie gewerkt en nu geveld door een leveraandoening. Had pijn, maar die lijkt nu onder controle. Bij de intake had ik geen gelegenheid om te vragen of je welkom bent. Naar mijn inschatting zijn ze niet gelovig, maar ga maar gewoon. Zijn vrouw is er nu ook.’

Ik klop op de deur en na een ‘Ja?’ loop ik de kamer op. De man ligt in bed, zijn vrouw zit ernaast. ‘Zo, geestelijke zorg. Hebben ze dat hier ook al?’, zegt hij als ik me voorstel. Ik weet even niet hoe ik zijn woorden moet interpreteren. Ik kies maar voor een lichte toon en een milde glimlach. ‘Meneer, wij zijn hier van alle markten thuis.’ Hij weet duidelijk ook niet wat hij van mij moet denken. En zo zitten we in hetzelfde schuitje. Na een ongemakkelijk moment en een aanmoediging van zijn vrouw besluit hij dat hij het wel wil proberen. Ik schuif een stoel bij. Het gesprek loopt stroef en ik zoek mijn toevlucht herhaaldelijk tot zijn vrouw, die toeschietelijker is. Als we de ontmoeting afronden, nodigt zijn vrouw me expliciet uit om vaker langs te komen. Meneer draait zijn hoofd met een snelle ruk naar haar toe, maar zegt niets. Ik beloof haar dat ik het zal doen. Of ik hém er een plezier mee doe – ik vraag het me af. Op de gang adem ik diep in en blaas lang uit.

Meneer blijft een hele poos in het hospice en in de loop der tijd verandert ons contact. Stap voor stap groeit het vertrouwen en in het kielzog daarvan de ontspanning. Dan gaat meneer ineens hard achteruit. Als de verpleegkundige me dat vertelt, ga ik er meteen naartoe. Ik tref hem half-slapend aan, met zijn vrouw aan zijn zijde. Als ze ziet dat ik het ben, schudt ze hem liefdevol wakker. ‘Hé, Marga is er’, zegt ze hardop en voegt er fluisterend naar mij aan toe: ‘Je komt als geroepen.’ Hij opent zijn ogen en kijkt me lodderig aan. Na wat kleine ingrepen (hoofdeinde wat hoger, kussen opschudden, slokje water) heeft hij zijn gebruikelijke helderheid van geest hervonden. ‘Marga’, zegt hij. En hij valt stil. ‘Vertel het maar’, zegt zijn vrouw. ‘Vertel maar wat je gisterenavond zag.’ Hij knikt. Zijn vrouw brengt hem op gang. ‘Er was bezoek geweest en je was moe. Ik zou hier blijven slapen, dus ik maak het bed op. En toen zei je …’ ‘Ja, ik weet het’, onderbreekt hij haar ongeduldig. ‘Marga, ik zag het. Ik zag het dáár’, en hij wijst naar het schilderij van thuis dat tijdelijk hier hangt. Ik draai mijn hoofd naar het doek. Roodtinten, beetje grijs en zwart zo hier en daar. ‘Ja?’, moedig ik hem aan. ‘En wat zag je dan?’ ‘Het was donker. Een groot gat.’ ‘Een groot donker gat’, herhaal ik. Hij knikt en vertelt verder. ‘En het trok aan me.’ Ik weet even niet wat ik moet zeggen. Het klinkt tamelijk angstaanjagend, een donker gat dat aan je trekt. Ik zie aan hem dat dit gesprek veel energie kost. We hebben niet veel tijd. ‘Hoe was dat voor je?’ Hij kijkt me even aan, moe alweer. Maar de uitdrukking op zijn gezicht is ontspannen. ‘Heerlijk. Ik kan daarin verdwijnen.’ Zijn vrouw doet het hoofdeinde weer lager en aait hem over zijn wang. ‘Ga maar weer slapen’, zegt ze. Terwijl hij weer wegzakt, praat ik er nog even met haar over door. ‘Hij was er helemaal van onder de indruk’, zegt ze. ‘Hij vertelde het keer op keer als hij even wakker was. Ik ben blij dat hij het jou heeft kunnen vertellen.’

Twee dagen later ben ik er weer en tref hem slapend met haar zwijgend aan zijn zijde. Als ze me ziet, gaan haar ogen wijd open. ‘Wat fijn dat je er bent! Vannacht was hij ineens klaarwakker en zei: “Je moet Marga bellen.” En toen ik zei dat ik dat midden in de nacht maar even niet ging doen, zei hij: “Maar Marga moet komen. Ze moet het weten.” Ik heb er niet uitgekregen wát je dan moest weten.’ Samen maken we hem zo goed en zo kwaad als het gaat, wakker. Als hij ziet dat ik het ben, maakt zijn hand een kleine beweging. Ik leg mijn hand op de zijne en hij pakt hem verrassend stevig vast. ‘Wat wil je me vertellen?’, vraag ik. Hij knikt. Hij weet dat hij me iets wil vertellen en hij weet precies wát. Met alle kracht die hij nog heeft, fluistert hij: ‘Het is de liefde, Marga, het is de liefde. Dat is het enige belangrijke. De liefde.’ ‘Oké’, zeg ik enigszins overrompeld, ‘het enige belangrijke is de liefde.’ Hij knikt. ‘Vertel het ze, Marga. Vertel het ze in die commerciële wereld. Het gáát niet om handel en geld.’ Hij heeft bijna geen kracht meer. ‘Het gaat alleen maar om …’ Hij hijgt. ‘Om de liefde’, vul ik aan. Hij knikt. Zijn ogen vallen dicht. Hij steekt een krachteloze vinger in de lucht. ‘Dat gat …’ Ik draai mijn hoofd naar het schilderij en kijk dan weer naar hem. ‘Dat gat was de liefde?’, vraag ik. Hij knikt. Zijn hoofd zakt opzij. Afgedraaid en op. Maar hij heeft het gered. Ik houd zijn hand nog een tijdje vast, zijn vrouw strijkt hem over zijn haar en hij zakt weer weg.

Op de fiets naar huis komen de slotwoorden van de grote lofzang op de liefde in me boven. ‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie’, dicht Paulus, ‘maar de grootste daarvan is de liefde.’ Nee, gelovig op de manier waarop wij het meestal bedoelen, was deze man niet. Maar oog in oog met de dood heeft hij de liefde gezien en ervaren. En die ontdekking kleurt met terug- en vooruitwerkende kracht zijn hele bestaan: zijn worden, zijn zijn en zijn geweest zijn.

De volgende dag ontvang ik een berichtje van het hospice. Meneer is die nacht overleden. ‘In alle rust, met zijn vrouw aan zijn zijde’, staat erbij. Nee, denk ik, deze meneer is niet overleden. Deze meneer is opgenomen in een groot, donker gat, dat niet angstaanjagend is, maar dat bestaat uit pure liefde. Daarin is hij opgenomen en verdwenen. Deze meneer is, voorbij aan zichzelf, zuivere liefde geworden.

Kieren

Bij Genesis 1:1

Op bezoek bij een vriend die beeldend kunstenaar is. Of we willen zien waar hij op dit moment mee bezig is. Natuurlijk willen we dat en hij troont ons mee naar zijn atelier. Op de ezel staat een groot doek. Met potlood erop geschetst wat het worden gaat. Ik zie honderd verschillende vormen. Een paar van die vormen zijn al op kleur gebracht. Iets dat als onderste kleur roodbruin heeft, iets dat nu alleen nog donkergroen is. Een enkele vorm is al helemaal af – nou ja, in mijn ogen dan. Herkenbaar als watervogel, gedetailleerd weergegeven, elk veertje apart aangezet. Herkenbaar als plant met verschillende kleuren groen. Ongelooflijk, wat een geduld moet je daarvoor hebben.

Hij vertelt over hoe hij werkt. Hij laat zijn schriftje zien met kleine schetsen. ‘Daar schets ik in als ik een idee krijg. Ik heb altijd een schriftje bij me voor het geval dat. Op mijn nachtkastje ligt er ook een. Al die losse ideeën worden op de een of andere manier een geheel en dan zet ik het op een doek. Over de potloodschets gaat een basiskleur en dan ga ik invullen.’ Basiskleur? Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. Verhip, het doek is inderdaad niet wit maar heel licht groengrijs. Ik vraag erop door. ‘Die basiskleur maakt het doek tot een geheel. Hoe licht hij ook is, hij schemert toch door alle lagen verf heen, en speelt dus een rol in, of liever ónder alle verschillende dieren en planten. En hoe dicht alles ook op elkaar staat, er is vaak, al is het minimaal, ruimte tussen de verschillende vormen. En doordat die kieren allemaal dezelfde kleur hebben, ademt het doek eenheid.’

Zijn woorden maken me in een fractie van een seconde bewust van mijn kijkervaring – niet alleen bij kunst, maar ook in mijn dagelijks leven. De duidelijke kleuren, de stevige kwaststreken, de strak omlijnde vormen zijn duidelijk zichtbaar voor mijn oog en trekken de aandacht naar zich toe. De vormen van de dieren en planten op dit doek overstemmen de sobere, subtiele grondlaag. De grondkleur wordt bij wijze van spreken overschreeuwd; is alleen direct waar te nemen voor mijn oog in de kieren tussen de vormen. Maar daar moet ik wel op gewezen worden, want anders ben ik het mij niet bewust.

Als ik nadenk over of innerlijk verwijl bij de betekenis van scheppen, van creativiteit, heb ik me altijd blindgestaard op de vormen. Op het concrete resultaat. Op de uitkomst van een proces. Op de tastbare, hoorbare, zichtbare uiting van iets dat ontstaat uit een niet zintuiglijk waarneembare bron. Een tekst, een beeld, een stuk muziek. Door wat deze bevriende kunstenaar zegt, worden mijn ogen ineens geopend voor de rol die de grond waaruit de kunst voortkomt, de bron zelf, speelt onder de vormen en in de tussenruimte. De eenheid die te ervaren is ín de veelheid – of liever misschien: erin en er tussendoor. Mijn ogen worden straks, als het doek af is, allereerst getrokken naar de vele verschillende vogels en planten die erop te zien zijn. Naar alle verschillende kleuren en vormen. Maar daaronder, weet ik nu, is die basiskleur. Die schemert door alle lagen verf heen, nauwelijks waarneembaar misschien voor mijn oog, maar toch. En tussen de verschillende vormen op het doek zit altijd een klein beetje ruimte. Een kiertje. En daar komt de basiskleur aan het licht.

Dit geldt natuurlijk niet alleen voor beeldende kunst, dit geldt voor alles wat geschapen is. Ook voor jou en mij. Door alle lagen van mijn bestaan heen schemert de grond waaruit ik voortkom. Tussen alle verschillende delen van mijn bestaan door, in de kieren, is de oerbron zelf te zien.

‘In het begin schiep God de hemel en de aarde.’ De schepping, de aarde, die ertoe bestemd is onze leefruimte te zijn. Land, water en lucht, alle drie gevuld met allerlei levende wezens. Vormen waardoorheen de oerbron van alles schemert. Vormen, waarvan de kieren ertussen zicht geven op of ervaring geven van de Ene bron.

Jij en ik, twee verschillende vormen. Vormen waardoorheen de oerbron van alles schemert. Vormen, waarvan de kieren ertussen zicht geven op of ervaring geven van de Ene bron.

De eenheid is te ervaren in de tussenruimte, in de kieren.

De woordloze stilte die te horen is in de pauzes tussen de woorden die wij spreken en horen.

De grondloze grond onder onze voeten die we voelen op de bodem van de afgrond waarin we gevallen zijn.

Het licht dat we zien wanneer het niet overstraald wordt door al het kunstlicht in ons bestaan.

Het tijdloze, dat te ervaren is aan de rand van onze tijdsbeleving.

De ademruimte die we vinden onder onze benauwdheid.

De heelheid die we vinden tussen de brokstukken van ons leven.

Het beeldloze waaruit alle vormen ontstaan, het woordloze waaruit geschreven woorden voortkomen, de stilte waaruit muziek geboren wordt.

De bron van alle bestaan is te ervaren voor wie door de verschillende vormen heen en er tussendoor durft te kijken.

Ik ben een mystica

Bij Genesis 28:16

‘Volgens mij ben jij een echte mystica. Vind je dat zelf ook?’ Zo opent Annemiek Schrijver ons gesprek. (Bekijk het interview hier.) In krom Nederlands: ik zit nog niet eens op mijn à propos of ik raak er al meteen weer vanaf. Wat roept die vraag veel op! Mystica? Wat bedoel je daar precies mee? Ik wil helemaal niet in een hokje gestopt worden! Wat voor beeld wil je in vredesnaam van mij schetsen!? En wat is de onderliggende boodschap eigenlijk? Wil je soms met me pronken? ‘Kijk eens wat een interessante gast ík heb! Een heuse mystica!’ In mij is het direct een warboel aan stemmen.

In de auto op weg terug naar huis komt de openingsvraag weer boven. Ben ik een mystica? Ik zucht nog maar eens diep. En dan tovert mijn brein een pop-up tevoorschijn: ‘Ieder mens is een mysticus.’ De titel van een column van Wim Jansen (lees hem hier). Dát had ik moeten zeggen! ‘Natúúrlijk ben ik een mystica. Iederéén is een mysticus!’

De term mysticus is omgeven met – in ieder geval bij mij – allerlei beelden en verwachtingen. Een mysticus, dat heeft met geheimzinnigheid te maken. Met heftige ervaringen, extase, visioenen, verlichting. Met dingen zien die andere mensen niet zien. Met buitenissigheid, buiten de werkelijkheid staan. Maar in de loop der tijd heb ik de term anders leren verstaan. Mystiek is helemaal niet zo buitenissig en vaag als ik eerst dacht. Het is juist uitermate concreet; het vormt je hele leven op alle mogelijke fronten. Alleen zie je dat pas als je er bent.

Tja, extase en verlichting. Die komen inderdaad voor, maar mysticus zijn valt er niet mee samen. Mysticus ben je niet pas als je zo’n overweldigende en levensveranderende ervaring hebt gehad. De meeste ervaringen van het goddelijke zijn subtieler. Kleiner. Geen complete onderdompeling, maar dauwdruppeltjes. Geen trompetgeschal, maar nauwelijks waarneembare fluisteringen. Geen duidelijk voelbare hand die je een weg op duwt, maar een subtiele verandering van druk.

Mysticus is iedereen, omdat iedereen de aangeboren mogelijkheid heeft om dit soort dingen te ervaren. Ik zeg niet dat iedereen deze dingen dus erváárt, maar iedereen heeft de mogelijkheid om ze te ervaren. In Het spirituele leven omschrijft Evelyn Underhill het zo: ‘Zoals een vis erop aangelegd is om in het water te leven, zo zijn wij erop aangelegd om God te zoeken.’ Het is onze natuur, wij zijn ervoor toegerust en het ligt niet alleen binnen onze mogelijkheden, nee, het is onze bestemming.

De ervaringen waarover we het hier hebben zijn fijnzinniger dan de zintuiglijke ervaringen waar we zo aan gewend zijn. In ons dagelijks bestaan hebben we onze ogen, oren, neus, tong en huid nodig om ons te oriënteren in deze wereld. Om gevaar te zien aankomen. Om te ruiken of voedsel per ongeluk bedorven is. Om te voelen waar mijn lijf ophoudt en dat van een ander begint. Om, al iets subtieler, op basis van een stembuiging in te schatten hoe iemand de woorden die hij zegt bedoelt. Maar daaronder ligt nog een heel gebied aan ervaringen die je min of meer zintuiglijk zou kunnen noemen, maar die zich vooral afspelen in je binnenste. Die je dus waarneemt met je innerlijk oog, je innerlijk oor en al die andere innerlijke zintuigen. Ergens in mijn herinnering dwaalt die titel van die column rond – voor mij onderbewust. Maar opeens staan die woorden daar, duidelijk leesbaar voor mijn innerlijk oog. Ik sta met een dochter van een bewoners van het hospice te praten op het kantoor en ineens zie ik voor mijn geestesoog de tekst van een Loesje-kaart die daar lang op het prikbord gehangen heeft. Ik zeg die woorden hardop. Ze blijken precies wat ze nodig had. En dit zijn nog herinneringen, woorden of beelden die ooit van buitenaf binnengebracht zijn en op een passend moment bovenkomen. Maar hoe zit het met inspiratie, met originele ideeën, met oplossingen voor problemen? Met een grenzeloze liefde, een oeverloze compassie voor alles en iedereen – een compassie die zo groot is dat hij gewoon pijn doet? Die wellen ook zomaar in een mens op. En dan ligt daaronder nog een heel gebied aan ervaringen die je zou kunnen omschrijven als dat de werkelijkheid openscheurt en een diepte laat zien die je daarvóór niet kende.

Meestal gebeuren dit soort dingen niet zomaar. Er gaat vaak iets aan vooraf. Genesis vertelt in de geschiedenissen van de aartsvaders ook over Jacob, die over allerlei grenzen gaat en zijn broer Esau zo razend maakt, dat hij hem wil ombrengen. Jacob vlucht. Hij betreedt onbekend land, onbekende toekomst. Zijn huis, zijn veilige plek – hij moet het allemaal achter zich laten. Zijn verleden – hij moet het loslaten. Hij betreedt nu een gebied van ‘niet meer en tevens nog niet’, een gebied van ‘niet weten’. Alles staat op losse schroeven. Dat grensgebied, dat niemandsland zal de meesten van ons bekend voorkomen. We bevinden ons er als zich een crisis aandient. Een crisis in je gezondheid, in je huwelijk, in je werk – je houdt ze niet tegen. Ze komen op je pad en je moet erdoorheen, zoals Jacob erdoorheen moet. En juist als er iets in jou breekt, kan er ook iets in je opengaan.

In dat grensgebied, dat niemandsland slaapt Jacob en in zijn droom ziet hij engelen een ladder op- en afgaan, ziet hij God bij zich staan en hoort hij God spreken. Als hij wakker wordt, zegt hij tegen zichzelf: ‘God is hier en ik besefte het niet.’ Nee, precies! Hij besefte het niet! Het is niet zo dat God zich ineens láát zien en horen, nee, dat doet hij altijd. Het punt is dat er iets in Jacob verandert waardoor hij de mogelijkheid om God te ervaren ineens kan benutten. Hij is innerlijk opengegaan.

God is overal en te allen tijd op gelijke wijze tegenwoordig, schrijft de middeleeuwse mysticus Meester Eckhart. God is altijd en overal te ervaren voor iedereen. Alleen: wij zijn het ons zo vaak niet bewust. Onze ogen zijn gesloten, we zijn verblind, ons zicht is vertroebeld. Doordat we denken te weten hoe God is en hem dus niet herkennen, zelfs al staat hij bij wijze van spreken voor onze neus. Doordat we gericht zijn op onze eigen plannen en verwachtingen. Doordat we denken dat God zich met trompetgeschal aankondigt en hem dus mislopen als hij zich subtieler doet ervaren.

God is overal en te allen tijde op gelijke wijze tegenwoordig en iedereen kan hem innerlijk zien, horen, ruiken, smaken, voelen of wat voor woorden daarvoor te vinden zijn. Dus Annemiek, ja, natúúrlijk ben ik een mystica. Iedereen is een mysticus. En nog bedankt voor je vraag!