Parelduiken in de bijbel

Gebedsgenezing

Bij Marcus 9:14-29

Er komt een man bij de leerlingen van Jezus. Hij heeft zijn zoon bij zich. Die wordt bezeten door een geest die maakt dat hij niet kan spreken. De vader vraagt of de leerlingen de jongen kunnen genezen. Ze ondernemen een poging, maar die mislukt. Als Jezus zich later weer bij de leerlingen voegt, lukt het hem wél. Na afloop vragen ze: ‘Waarom konden wij dat niet, die geest uitdrijven?’ Jezus antwoordt: ‘Dit soort kan niet anders uitgedreven worden dan door gebed.’

Niet anders dan door gebed!? Ik lees nergens in dit verhaal dat Jezus bidt met of voor de jongen. Sla de bijbel er maar op na. Hij praat met de vader en spreekt de onreine geest bestraffend toe. ‘Ik beveel je: ga uit hem weg en kom niet meer terug!’ Maar gebed? Niks daarvan.

Ik lees het verhaal nog een keer. En ineens zie ik het. Nee, Jezus bidt niet. Maar in het gesprek dat hij met de vader heeft, bidt de vader van de jongen! ‘Help ons! Wees bewogen over ons!’, zegt hij. En daarna: ‘Ik geloof! Help mij in mijn ongeloof!’ Help ons, wees bewogen, help mij! Dit zijn woorden van gebed.

Hier opent zich een compleet landschap. Niet een woord of gebaar van Jezus drijft de demon uit, maar het gebed van de vader. De vader, die radeloos is vanwege zijn zoon. Dokters, psychologen en diverse klinieken afgelopen, al zijn geld uitgegeven aan medicijnen en therapieën en niets of niemand die de jongen helpen kan! Het drijft hem tot wanhoop. De vader is op de bodem van zijn bestaan gekomen. Op zijn knieën gedwongen door het lijden van zijn kind. En daar bidt hij: ‘Help ons! Wees over ons bewogen!’

Dit gebed wordt gezegd, geróepen door iemand die onder ogen heeft moeten zien dat hij niets vermag. Dat mensen tegen sommige krachten niets in te brengen hebben. Het enige dat hem nog rest is het kind overgeven aan God. Hij moet zijn trots ervoor laten varen, maar met dit gebed, gesproken met een innerlijke houding van nederigheid, brengt hij de jongen in het domein van God. En waar trots een hart verhardt en afsluit, maakt deemoed een mens ontvankelijk voor de stroom van heelheid die God is. De vader durft, of kan niet anders meer dan zichzelf en zijn zoon daaraan volledig toe te vertrouwen.

Dure medische of psychologische begeleiding mochten hier niet baten, maar de altijd en overal vrij beschikbare genade brengt verlossing. Het enige dat wij hoeven doen – maar o, wat is dat moeilijk – is onze trots laten varen en onder ogen zien dat wij God nodig hebben om tot Leven te komen.

Zuurdesem

Bij Matteüs 13:33

Zou God wel tevreden zijn over mij? Een vraag die ik aan het bed in het hospice vaak hoor. Nou ja, zoals ik hem nu opschrijf, wordt-ie niet gesteld. Maar deze gedachte ligt achter de vragen die sommigen hebben. Vooral als het gaat om mensen die wel opgegroeid zijn met geloof en kerk, maar die in de loop van hun leven dat alles hebben losgelaten. ‘Mag ik dan nu mijn toevlucht wel nemen tot gebed? Tot God? Hij ziet me aankomen!’

En niet alleen op het sterfbed komt die vraag op. Ik herken hem, als ik goed kijk, ook bij mezelf. Doe ik wel genoeg? Geef ik God wel voldoende aandacht? Eigenlijk een humoristisch beeld. Alsof God met een opschrijfboekje op schoot zit en een balans bijhoudt. Jezus geeft ons een ander beeld. ‘Het koninkrijk der hemelen lijkt op een zuurdesem, die een vrouw neemt en verbergt in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd is!’

Wij mensen zijn zo geneigd kwantitatief te kijken: te meten, te wegen, te rekenen. Hoeveel heb ik gebeden in mijn leven? Hoe vaak ben ik naar de kerk geweest? Hoe groot is de rol die ik God geef in mijn leven? Maar het beeld van de zuurdesem helpt ons om andere vragen te stellen. Dat éne gebed uit het hart op mijn sterfbed – durf ik erop te vertrouwen dat dat mijn hele leven in een ander perspectief zet, dat dat mijn hele bestaan achteraf inhoud geeft? Die vijf minuten stilte of dat ene bijbelvers aan het begin van de dag – kan ik die mijn hele dag kleur en richting laten geven?

In het geestelijk leven gaat het niet om hoeveel of hoe vaak. Maar om het kneden van het deeg, zodat alles goed gemengd wordt en doortrokken raakt van de werking van de desem. Dat ene moment van ruimte voor God, van tijd voor de diepte, voor verlangen – geef ik die de ruimte om zich uit te spreiden over mijn hele bestaan? Houd ik het gevangen in die diepe, spirituele laag van mijn bestaan, of kan en mag het op alle niveaus doorwerken; ook in mijn gevoelens, keuzes, meningen, kortom: in mijn hele dagelijkse leven? Dat ene wat ik doe op geestelijk gebied – laat ik dat mijn hele dag, mijn hele leven doordesemen?

Gij verruimt mijn hart

Bij Psalm 119:32

Mediteren doe ik nu al jaren, maar ik vind het nog steeds lastig. Er is vaak zoveel dat zich in mij afspeelt. Dat woelt en rondwaart en in de stilte opkomt om zich te laten zien. Gedachten, verlangens, fantasieën, angsten, toekomstbeelden, zorgen, pijn, verdriet. Te veel. Als ik geconcentreerd bezig ben met werk of huishouden, dan merk ik dat allemaal niet zo. Maar als ik ’s ochtends op mijn bankje zit, dan krijgt die innerlijke wereld de ruimte en laat zich volop merken. Ze benauwen me – de gedachten en gevoelens. Ik zie ineens hoeveel ruimte ze innemen in mijn binnenkant. Hoe ze me in de tang houden, grip op me hebben, me leiden.

En het moeilijkste om te aanvaarden is dat ik het vaak helemaal niet doorheb dat al die dingen me zo benauwen. Als ik in de stilte zit, laat ik alles opkomen. En voordat ik het weet, ben ik minuten verder en heb ik me laten meeslepen door van alles en nog wat. Als dat besef toeslaat, als ik daaruit wakker word, is er altijd een moment van oordeel. Oordeel over mezelf. ‘Heb ik me weer laten meeslepen. Het is de bedoeling dat ik er van een afstandje naar kijk en ik zit er weer midden in. Hoe lang doe ik dit nou al!? En ik kan het nog steeds niet.’ Je reinste zelf-afwijzing. En als ik dát doorkrijg, dat ik mezelf afwijs, geef ik mezelf daarover nog eens op mijn kop. ‘Je weet toch dat oordelen niet helpt!’ Dan wijs ik mezelf af omdat ik mezelf afwijs. Pfff … Hoe ingewikkeld kun je het jezelf maken.

En dan zijn de twintig minuten voorbij en ontwaakt er iets anders in mij. Waarom zat ik hier ook alweer? O ja, om alles, alles wat er in mij is onder ogen te zien, waar te nemen en te laten gaan. Op te laten lossen in die grote, onmetelijke ruimte die God is, die de Liefde is, die ik van binnen ben. En als vanzelf gebeurt dat dan. Ik word ruimte van binnen. Liefdevolle, aanvaardende, compassievolle ruimte. En alles, alles wat zich de afgelopen minuten heeft laten zien, zie ik ineens in die ruimte. En dan gebeurt het wonder: het lost als vanzelf op. Het tintelt weg, het wordt transparant, het wordt opgenomen in dat grote geheel waarin alles er mag zijn, waarin alles omvat wordt, omhelsd, door de Liefde zelf. Alles wat zich in mij afspeelt. Ook mijn zelf-afwijzing. En het feit dat ik mezelf afwijs omdat ik mezelf afwijs.

‘Ja, Gij verruimt mijn hart’, dicht de psalmist. Zo voelt het dan. Alsof mijn hart zich opent, groter wordt, en alles liefdevol omhelst en in zich opneemt wat mij benauwde. En ook de benauwdheid lost op. Ik ben alleen nog maar ruimte. En ik kan alles aanvaarden – zelfs het feit dat ik mezelf maar zo moeilijk aanvaard.

Waarom?

Bij Johannes 9:2-3

In het hospice waar ik werk hoor ik deze vraag nogal eens: ‘Waarom?’ Waarom overkomt mij dit? Waarom moet ik het lijden van mijn vader aanzien? Waarom kan er niets gedaan worden? Ik ben nooit ziek geweest en nu ineens ben ik uitbehandeld! Waarom?

Een begrijpelijke vraag. Een mens wil graag weten wat de oorzaak is van wat hem overkomt. Het enige antwoord dat op deze vraag bestaat, is dat er geen antwoord op deze vraag is. Voor heel veel wat ons overkomt, bestaat geen verklaring. Vanuit ons menselijke perspectief bekeken, is het leven vaak onoverzichtelijk en onlogisch.

Als ik deze vraag hoor, klinken op de achtergrond de leerlingen van Jezus mee. Onderweg komen ze iemand tegen die vanaf zijn geboorte blind is en de leerlingen vragen hun meester: ‘Hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ Waarom? Waarom is deze ene mens blind vanaf zijn geboorte en heel veel anderen niet? O, wat zouden wij dat graag weten! Wat zouden wij graag kunnen zeggen: dáárdoor overkomt het hem; er is een oorzaak aan te wijzen. Dat maakt onze wereld een stuk overzichtelijker en veiliger. Maar de vraag is onvruchtbaar. Je kunt beter precies de andere kant op kijken.

Jezus gaat de leerlingen voor. ‘Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet’, zegt hij. ‘Maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.’ Zo. De blikrichting van de leerlingen en de lezers is met één zin 180° gedraaid. De vraag is niet meer ‘Waarom is hem dit overkomen?’, maar ‘Waartóe is hem dit overkomen?’. En dat is een compleet andere vraag. Het perspectief is niet meer het verleden, maar de toekomst. Dit ene woord opent je ogen voor een compleet andere serie vragen. Niet meer: waaróm overkomt mij dit? Maar: waartóe overkomt mij dit? Wat kan ik hiervan leren? Hoe kan ik hierdoor groeien? Wat wil God van me nu mij dit is overkomen? Hoe kan dit me dichterbij God brengen?

Ik gun natuurlijk iedereen zijn waarom-vraag. Soms moet je daar gewoon doorheen. Het is een vorm van weerstand. ‘Ik wil er niet aan dat dit mij overkomt.’ Een menselijke reactie. Maar als je hierin blijft hangen, mis je een kans. Kijk vooruit en bedenk dit: If it doesn’t kill me, it makes me stronger.

If it doesn’t kill me … Nogal cru als je in het hospice bent opgenomen en de dood rammelt aan de poort. Toch zie ik het wel eens gebeuren, dat mensen deze draai maken. Dat ze de laatste stappen op hun levensweg zetten met de blikrichting naar voren. Dat ze, hoe weinig tijd ze menselijkerwijs gesproken nog hebben, tóch de waartoe-vraag blijven stellen. Toch open blijven staan voor dat wat op hun pad komt, het aanvaarden en erdoor groeien. Als je midden in het leven staat, zou je kunnen denken: waarom die moeite doen als je nog maar zo weinig tijd hebt? Wat maakt het nog uit? Maar sommige mensen leven niet vanuit de tijd, maar vanuit de eeuwigheid. En iedereen heeft die mogelijkheid, in welke levensfase dan ook.