Parelduiken in de bijbel

Veiligheid

Bij Psalm 62:11

Met een groep doe ik lectio divina. Ik schreef er al eerder over. Lectio divina is een meditatieve manier van bijbellezen. Het gaat er bij lectio niet om dat je de woorden begrijpt of gaat ontdekken wat ze betekenen, maar dat ze tot jou gaan spreken. Je leest met elkaar een klein stukje bijbel, een paar verzen maar. Uit die lezing (lectio) laat je een woord of een zinswending naar boven komen die jou op dat moment in het bijzonder aanspreekt. Dat woord, of die woorden, laat je in de stilte daarna tot je spreken. Je kauwt op de woorden en herkauwt ze en je laat alles wat dat woord oproept in je opkomen: meditatio (meditatie). Daarna ga je na of er een antwoord in jou opkomt op dat, wat je God door deze woorden heen tot jou hoort zeggen: oratio (gebed). En in een langere stilte daarna komt alles in je tot rust en ben je stil, met een verwachtingsvol hart: contemplatio (contemplatie). We eindigen met een toon van de klankschaal.

Elke keer weer vind ik het spannend. Elke keer denk ik: nou, het zal mij benieuwen of er überhaupt iets op gang komt. En elke keer ben ik weer verrast door wat er gebeurt. Door goed naar die enkele woorden te luisteren en ze te herhalen in je hart, openen de woorden zich laag voor laag. En niet alleen in de tekst dring je dieper door – ook in jezelf. Dat gaat hand in hand.

Mocht je het zelf een keer willen ervaren, dan kan dat. Deze Parelduiker is zo geschreven dat je de tweede stap van lectio, de meditatio, kunt doen. Maar misschien lijkt dat je niet wat en lees je liever wat er dan bij mij zoal gebeurt als ik zo’n tekst tot me laat doordringen. In dat laatste geval lees je verder vanaf de sterretjes. Mocht je het zelf willen ervaren, dan lees je verder vanaf hier. Je kunt natuurlijk het een doen en het ander niet laten, maar doe de oefening dan vooral eerst zelf.

Ga eerst even na of de omstandigheden zo zijn dat je je een paar minuten in stilte kunt terugtrekken. Dat kan prima met zijn tweeën, als je dit samen leest en afspreekt om deze oefening te doen. Maar als je de Parelduikers leest als onderbreking op een drukke werkdag, terwijl je ieder moment gestoord kunt worden, of terwijl je op een vol perron staat en de trein kan ieder moment binnenrijden, is het wellicht beter het verder lezen uit te stellen totdat je rust hebt.

Ik geef je een paar woorden uit Psalm 62 (in de Naardense vertaling, voor de fijnproever). Herhaal die woorden voor jezelf. Als je alleen bent, kun je ze voor je uit prevelen. Maar je kunt ze ook voor jezelf herhalen in de stilte. En wees alert op wat er in jou gebeurt als je de woorden herhaalt. Komen er herinneringen boven? Beelden? Andere teksten? Gevoelens? Associaties? Alles is mogelijk. Heet alles wat zich aandient welkom en breng jezelf weer terug bij de woorden. Neem een paar minuten voor deze oefening.

Ga goed zitten: voeten plat op de vloer, rug rechtop. Voel het contact dat je zitbotjes maken met je stoel. Sluit je ogen, adem diep in en diep uit en herhaal voor jezelf: ‘Zoek veiligheid niet in verdrukking.’

*   *   *   *   *

‘Zoek veiligheid niet in verdrukking.’ Bij mij dient zich allereerst een beeld aan. Ik voel het beeld aan als een beweging. Aan mijn arm zit een heel grote hand en die drukt iets, wat mij angst inboezemt, weg. Onttrekt het aan het zicht.

‘Zoek veiligheid niet in verdrukking.’ Dan gaan mijn gedachten naar homo’s in Oeganda. Vanochtend in de krant: een interview met een advocaat uit dat land. Hij verdedigt mensen uit de lhbt-gemeenschap, die als de grootste misdadigers behandeld worden. Zeg maar gerust: míshandeld. Zelf heeft hij ook het nodige te vrezen en hij is voor drie maanden in Nederland om tot rust te komen. Kijk, daar gebeurt dat dus. Mensen worden verdrukt. Gewoon mensen als ieder ander worden weggeduwd uit de samenleving, mogen er niet zijn, mogen niet leven. Verdriet en machteloosheid strijden om voorrang. Wat was mijn tekst ook alweer? ‘Zoek veiligheid niet in verdrukking.’ Zou dit gedrag, dit systeem van mensen onderdrukken voortkomen uit een gevoel van onveiligheid? Ja, mensen die ‘anders zijn’ roepen bij anderen soms angst op, dat is waar. En meteen stroomt mijn hersenpan vol. De ‘ander’ is inderdaad iemand die onderdrukt moet worden. Joden in de Tweede Wereldoorlog. Christenen in moslimlanden. Moslims in christelijke landen. Mensen met een donkere huidskleur daar waar blank blijkbaar de norm is. Vrouwen waar man-zijn blijkbaar de norm is. De voorbeelden zijn talloos. Wie een mens of een groep mensen tot een ‘ander’ maakt (ver-ander-t!), creëert angst. Een ander is een aanslag op of vormt een bedreiging voor wie jij bent of denkt te zijn. En die ander moet dus … weg. De hand die ik voor me zie en die dat wat angst inboezemt wegdrukt, heeft enorme proporties.

Dan voel ik dat die hand ook in mijn binnenste werkt. O, zeker, daar is hij ook. Ik ken hem heel goed! Alles wat mij niet goed uitkomt, duwt hij weg. Ontevredenheid, weerstand, boosheid, wrok – ach, de lijst is eindeloos. Die gevoelens komen op, maar ik wil er niet aan en verdruk ze. Wát was de tekst ook alweer? ‘Zoek veiligheid niet in verdrukking.’ Kan ik concluderen dat ik die gevoelens verdruk om me veilig te voelen? Blijkbaar roepen die gevoelens ónveiligheid in mij op. Daar moet ik even op kauwen, maar inderdaad. Als ik me ergens ontevreden over voel, voel ik spanning tussen de situatie zoals die is en de situatie zoals ik hem zou willen. Dat kan ik oplossen door hardop te zeggen wat ik wil of hoe ik het voor me zie. Maar daarvoor moet ik me uitspreken en dát is onveilig! Want ik weet nooit hoe mijn woorden overkomen of geïnterpreteerd worden. Voor hetzelfde geld krijg ik een lading negativiteit over me heen. Dan verdruk ik liever die gevoelens van ontevredenheid. En boosheid – dat betekent dat iemand over mijn grens is gegaan en dat ik die zal moeten aangeven. Maar liever dan me in die onveilige situatie te begeven, verdruk ik die boosheid.

‘Sommige dingen willen alleen gezien worden.’ Ooit zei iemand dat tegen me, nu komen die woorden spontaan boven. Wijze woorden, want als die ontevredenheid en die boosheid onder ogen gezien worden en er mogen zijn, voel ik meteen de spanning erover wegvloeien. Ja, ik ben ontevreden over iets. Laat het er maar zijn. Doe er nog even niets mee; de tijd zal leren of je er iets mee moet of niet.

Dan komt er een vraag op. Verdruk ik per ongeluk ook anderen? Het is gemakkelijk om naar Oeganda te wijzen en te zeggen dat het daar niet in de haak is. Maar hoe verdruk ik anderen? Wát was mijn tekst ook alweer? ‘Zoek veiligheid niet in verdrukking.’ Ja, mensen in mijn omgeving kunnen mij inderdaad een gevoel van onveiligheid geven. Door hún ontevredenheid, weerstand, boosheid. Alles dat ik bij mezelf onderdruk, druk ik bij een ander ook weg als ik niet uitkijk. Hmm. Geen leuke spiegel om in te kijken.

Op de valreep, want ik moet de groep bijna uitnodigen voor de volgende stap in dit proces, rijst er nog een vraag. Zoek veiligheid niet in verdrukking – waar dan wel? In God? Ja, volgens de psalm. Maar op de een of andere manier voelt dat als een te gemakkelijk antwoord. Ik wil God niet gebruiken om alles mee dicht te smeren. Alsof God een stoplap is voor al onze behoeften.

Misschien wil dit psalmwoord me zeggen: ja, er ís onveiligheid in je leven. Of in ieder geval: er gebeuren dingen of er komen dingen voorbij die jij als onveilig aanvoelt. Verdruk ze niet. Verdruk ook dat gevoel niet, maar laat het er gewoon maar zijn. Je weet hoe het gaat met gevoelens: ze komen op en ze gaan weer liggen, tenzij je jezelf eraan vasthecht. Leer de spanning die dat gevoel jou geeft uit te houden. Niet meteen actie ondernemen om het gevoel weg te drukken. Houd het gevoel van onveiligheid uit en laat het betijen. En kijk dán weer goed naar de situatie. Zoek veiligheid niet in verdrukking.

Zaad zaaien

Bij Marcus 4:26-29

Met een groep doe ik lectio divina, een meditatieve manier van bijbellezen. We lezen een paar verzen uit een psalm en laten die in stilte bezinken. Nogal technisch omschreven omvat de methode vier fasen, waarin je steeds dieper doordringt in de tekst en tegelijkertijd in jezelf. Een van de stappen is het bewust worden van welk woord of zinsdeel jou op dit moment in het bijzonder aanspreekt. Dat woord of zinsdeel herhaal je voor jezelf in stilte en je laat alles in je opkomen wat op wil komen: associaties, herinneringen, beelden, andere woorden. Je herkauwt dat ene woord of zinsdeel om alle voedingsstoffen eruit te halen die er voor jou in zitten.

Op de tweede bijeenkomst vraag ik de deelnemers hoe hun kennismaking is bevallen en of de eerste lezing doorgewerkt heeft in de week die volgde. Een vertelt: ‘Nog twee dagen kwamen er bij mij allerlei associaties op, maar daarna werd het stil. “En nú?”, dacht ik. “Wat moet ik nu?”’ Haar handen gaan open omhoog en ze kijkt me vragend aan.

In de loop van de week komen bij mij dingen op die ik bij wijze van respons op haar vraag had kunnen zeggen. Het op deze manier lezen van teksten is bedoeld om de woorden te verinnerlijken. Je laat de woorden steeds dieper tot je spreken. Dat gaat vanzelf, je hoeft ze alleen maar te herkauwen. Dat beeld van eten en kauwen en herkauwen is niet voor niets gekozen. Onze spijsvertering is een prachtig beeld voor deze manier van lezen – al zijn we geen herkauwers, natuurlijk. Maar je neemt de woorden tot je, je laat ze binnenkomen, je kauwt erop, je maalt ze fijn, zodat je ze kunt doorslikken. Een herkauwer laat het voedsel dan nog een keer opkomen om het nogmaals goed te kauwen. En als je je voedsel uiteindelijk definitief hebt doorgeslikt, moet je het uit handen geven. De rest van het proces van vertering verloopt in het verborgene, als het ware buiten jou om. Je lichaam doet dat helemaal zelf. Het aannemen, kauwen en doorslikken is allemaal bewust werk. Je besluit om het te doen of niet. Je doet het, omdat je het wilt. Maar zodra je het hebt doorgeslikt, breng je de woorden in een proces, dat zich aan jouw wil onttrekt. En juist in dat deel van het proces vindt er een grote transformatie plaats. Voedings- en bouwstoffen worden aan het voedsel onttrokken. Je lichaam haalt eruit wat het nodig heeft en de rest wordt losgelaten.

Het is alsof je zaad zaait. Je kiest welk zaad je wilt zaaien en op welk moment en op welk stuk grond. En je maakt de grond ontvankelijk: je zorgt voor voldoende lucht en water. Maar zodra je het zaad hebt gezaaid, ontketen je een proces dat zich voltrekt zonder dat jij daar nog iets over te zeggen hebt. In het verborgene voltrekt zich het wonder dat ontkiemen heet. Daar moet je je vooral ook niet mee bemoeien. Als je telkens gaat woelen in de grond om te kijken of het zaad al ontkiemd is, verstoor je het proces. Je moet vooral niets doen.

Je kunt het voorbereiden, het zaaien. Je kunt de omstandigheden voor zover je er invloed op hebt, zo gunstig mogelijk maken. Maar het proces van ontkiemen, opgroeien, volwassen worden en vrucht dragen zelf kun je niet bespoedigen. Daarvoor moet je het vooral láten.

‘Het koninkrijk van God is als een mens die zaad zaait op zijn akker’, vertelt Jezus. ‘Hij slaapt, hij staat op; een nacht, een dag. Het zaad kiemt en groeit. En hóe – de mens weet het niet. Vanzelf draagt de aarde vrucht – eerst een halm, dan de aar, dan het volle koren in de aar.’ De mens zaait. Hij laat het zaad los en het valt in de aarde. Het zaad ontkiemt vanzelf, de mens weet niet hoe. Dat proces voltrekt zich in het verborgene. Maar het resultaat ervan ziet hij: de halm groeit, de aar en dan de vrucht.

‘Ik moet niet de dingen willen, ik moet de dingen zich in mij laten voltrekken’, schrijft Etty Hillesum in haar dagboek. In lectio divina gaat het over bijbelwoorden, die je zaait als zaad, zodat ze in het verborgene een proces van groei kunnen doormaken, opdat ze vrucht kunnen gaan dragen. Maar je kunt álles dit proces laten ondergaan. Alle gebeurtenissen in je leven, de leuke en fijne dingen en alle dingen die we als moeilijk, pijnlijk en zwaar ervaren – we kunnen ze zien als zaad, dat we in onze handen hebben en dat we, als we eraan toe zijn, kunnen loslaten en zaaien in de akker van onze ziel, zodat zich in het verborgene iets kan gaan voltrekken. Zodat de dingen omgevormd kunnen worden in jou. Getransformeerd van zaad tot halm, tot aar, tot vrucht.

Het is later. Veel later. De woorden ben je allang vergeten. De gevoelens die de gebeurtenissen in je hebben opgeroepen, zijn tot rust gekomen. Je wandelt langs je innerlijke tuin. ‘Hé, wat een mooie plant is daar opgekomen. En wat een prachtige vruchten. O, wacht, dat is van dat zaad dat ik hier ooit gezaaid heb. Ik was het helemaal vergeten!’ Je plukt een vrucht en proeft. ‘Heerlijk! Precies wat ik zocht!’ Je plukt er een paar en neemt ze mee om uit te delen aan wie ze maar nodig heeft.

Mijn hoog vertrek

Bij Psalm 94:22

Het is tijd om nieuwe foto’s te laten maken voor mijn website. De fotografe met wie ik contact leg, mailt met de vraag of ik al een locatie in gedachten heb. Eh, nee. Nog geen moment over nagedacht. Gelukkig schrijft ze in de zin erna: ‘Als ik je werk bekijk, denk ik dat rust belangrijk is voor de foto’s.’ O ja, de locatie moet natuurlijk iets te maken hebben met de inhoud van mijn werk! Liefst iets daarvan weerspiegelen. Rust, noemt ze. Ja, dat heeft ze goed gezien. En dan stromen de woorden mijn hersenpan binnen. Ruimte, leegte, open, hoog, licht, sereen, neutraal. Een kerk? Ik zie meteen rijen kerkbanken, kindernevendienstknutsels aan de muur en ik hoor de stem van de dominee. Verre van neutraal, en met ruimte heeft het weinig te maken. Wat dan?

Dan opent zich mijn innerlijke ruimte. Een oud gebouw, hoog. Ramen waardoor het licht vrijelijk naar binnenvalt. Pilaren die het hoge gewelf stutten. Ja, een kerk. De muren ruiken naar eeuwen lofzang en gebed. Maar de ruimte is leeg. Geen banken, geen stoelen. Geen preekstoel, geen lezenaar, geen microfoon. Geen enkel spoor van recente kerkelijke activiteit. Misschien een stenen doopvont in het portaal. Misschien een oud orgel ergens. In het midden op de grond brandt één enkele kaars. Zacht licht valt op de vloer eromheen. Geruis en een deur die opengaat en weer sluit. Daar verdwijnt de monnik die de kaars heeft aangestoken. Nu ben ik alleen. Stilte daalt neer.

Hier kan ik blijven zolang als nodig is. In deze lege, oningevulde ruimte. Ik kan me er terugtrekken uit het lawaai van het leven, van alledag. Alle gewoel in mij gaat liggen, komt tot rust. Alle verwachtingen die ik van mezelf heb, alles waaraan ik wil voldoen, alle schijn die ik koste wat het kost wil ophouden. Hier herontdek ik de sprekende stem van de stilte, die me weer op weg helpt het leven in. Die me aanmoedigt, de weg wijst, woorden in de mond legt.

Het klinkt als een vluchthaven, waarin ik me veilig kan voelen. Veilig voor alles wat er vanuit de grote boze buitenwereld op me afkomt. Maar het is geen ruimte om te blijven, het is een ruimte om vanuit te leven. Ik sta vanuit hier in de wereld. Deze ruimte is een plek waarvandaan ik me kan verhouden tot alles wat er om me heen en met mij gebeurt. Was die er niet, ik liet me meeslepen of reageerde er als een dolle op.

Deze lege ruimte is een plaats van niet-weten. Hoe vaak is het in mijn leven niet voorgevallen dat iemand iets tegen mij zei en ik pats-boem reageerde? Nadat ik de stilte een serieuze plek gaf in mijn leven, leerde ik langzaam maar zeker om minder direct te reageren. Sommige vragen of opmerkingen van anderen vragen niet om een reactie, maar om een respons. Ze vragen erom dat ik eerst enige tijd verblijf in dat niet-weten. Daar de woorden of gebeurtenissen laat bezinken en mijn innerlijk oor te luisteren leg voor wat er aan antwoord in me opkomt. Maar dat kost tijd. En het vraagt van mij dat ik de spanning uithoud van het ‘nog niet’. Het nog niet weten, nog geen antwoord hebben. En alles wat dat aan vragen en gedachten over mezelf oproept.

Als ik in deze ruimte ben, ontdek ik onder alle gedoe dat in mij opgeroepen wordt compassie, zachtheid, mildheid, vriendelijkheid. Al mijn gejaagdheid verdwijnt. Ik heb geen haast meer. Ik doe wel dingen en ik zeg ook dingen, maar vanuit deze ruimte doe ik ze om ze te doen, en niet om er zelf beter van te worden of er iets mee op te lossen dat mij dwars zit. Mijn innerlijke houding ten opzichte van alles wordt hier omgevormd.

Terwijl de Tweede Wereldoorlog om haar heen woedt en haar leven steeds meer inperkt, ontdekt Etty Hillesum haar innerlijke ruimte als bron die haar voedt, als grond die haar draagt. Haar innerlijke stilte is geen plek om zich terug te trekken uit de wereld; haar innerlijke stilte is de plek van waarúít ze leeft midden in die wereld. Ze boort er een diepe bron van compassie aan. Ze gaat vrijwillig naar Westerbork om daar haar volks- en lotgenoten te ondersteunen op welke manier ze maar kan. Het contact met haar bron blijft, ook onder die uitputtende omstandigheden. Als ze uiteindelijk zelf op transport moet naar Auschwitz, gooit ze vanuit de trein een briefkaart, geadresseerd aan een vriendin. De laatste woorden die we van haar hebben. ‘Ik zit midden in een volle goederenwagon op mijn rugzak’, schrijft ze. ‘Ik sla de bijbel op op een willekeurige plaats en vind dit: De Heere is mijn hoog vertrek.’

God als hoog vertrek. God als ruimte. Onmetelijk, onbegrensd, weids en open. Waarin alle menselijke bewegingen van de ziel worden opgenomen. Waarin ze gaan liggen en tot rust komen, zodat ze ons spreken en ons handelen niet meer bepalen. Een openheid, waarin we de ruimte ervaren om te leven vanuit pure vrijheid.

Gelatenheid

Bij Lukas 1:38

Ik moet voorgaan in een dorp in de buurt. Op de heenweg donkere wolken en regen, op de terugweg is de bewolking opengebroken en schijnt de zon uitbundig op het Walcherse land. Weiden met koeien en de onvermijdelijke paarden en akkers in diverse stadia van wat een stadsmens ‘winterklaar’ noemt. Op sommige bloeit nog gele mosterd, op enkele steken alleen nog stoppels overeind en andere zijn al helemaal omgeploegd. Dikke voren lopen loodrecht op de weg. Donkerzwarte vette klei, glanzend en glinsterend in het zonlicht.

Herinneringen komen boven. Twintig jaar geleden kwam ik op dit voormalig eiland wonen als dorpsdominee. Wat had ik een hekel aan juist dit uitzicht. De omgeploegde akkers stonden voor alles wat ik zo verfoeide. Dat ligt daar maar niets te doen. Dat ligt daar maar apathisch te zijn. Te wachten totdat er eindelijk weer eens iets gaat gebeuren: ingezaaid worden, zaad laten ontkiemen en opgroeien tot graanhalmen, wuivend in een voorjaarsbries, goudgeel kleurend in de zomer en oogsten maar. Dát is allemaal prima, maar die winter … Tijd van wachten en leeg zijn. Pure passiviteit. Zinloos. Wat mij betreft: overslaan.

Ik glimlach achter het stuur. Ik herken de doener die ik was. Een en al onrust. Ik moest blijkbaar van alles bewijzen, want ik was er eigenlijk voortdurend op uit om iets op te bouwen, iets neer te zetten. Of het nou het juiste moment was of niet, ik stormde gewoon door en deed dat, waarvan ik dacht dat het goed was. Alles om maar niet passief te hoeven zijn. Dat associeerde ik met slap, willoos en zwak. En dan lazen we in de adventtijd ook nog eens over Maria, die te horen krijgt dat ze zwanger zal worden en een zoon zal baren die ze Jezus moet noemen. En wat zegt ze? ‘Mij geschiede naar uw woord.’ Pure passieve ontvankelijkheid. Dat is blijkbaar het vrouwbeeld dat de bijbel me wil voorschotelen en opdringen, constateerde ik grommend. En ik mengde nog eens een flinke scheut activisme door mijn dag.

Ik zal er mensen mee in de weg gezeten hebben. Ik zal er God zogezegd mee voor de voeten gelopen hebben. Beide spijt me zeer. Ik merk tot mijn opluchting dat ik er zelf inmiddels om kan grinniken. Wat was ik een kei in etiketten plakken! Dát is goed en dát is fout. Als je iets dwars zit, moet je er iets aan dóen! Aanpakken! Niks afwachten, dat is laf. Nee, ik wist het heel goed als het ging om passiviteit of activiteit. Het een is beter dan het ander en dat was een altijddurend oordeel.

Inmiddels heb ik jarenlang preken van de middeleeuwse mysticus Meester Eckhart gelezen. Hij verleidt zijn lezers om uit die veroordelende positie te stappen. Om je blik te veranderen. Niet meteen met etiketjes klaar te staan en te denken in ‘dit is goed en dat is fout’, maar een overstijgend perspectief in te nemen. Niet in verzet gaan, maar een houding van gelatenheid beoefenen. Gelatenheid! Oei, wat riep dat woord weerstand op in het begin. Maar het lonkte tegelijkertijd. Ik voelde dat er iets in zit, waar ik naar verlangde: om uit dat denken in tegenstellingen geleid te worden naar een omvattend perspectief. Daarnaast begon in mij de gedachte post te vatten dat Eckhart ‘gelatenheid’ misschien niet zo passief bedoelt als ik op het eerste gezicht dacht.

In een column over juist dit woord omschrijft Welmoed Vlieger het helder. ‘Eckhart’s gelatenheid heeft niks met apathie of gevoelloosheid te maken en alles met het doorleven van de onvolkomenheid en onbestendigheid van dit bestaan.’ Zo. Kauw daar maar eens op. Geen apathie, maar doorléven. Het doorleven van de onvolkomenheid van het bestaan. Dat klinkt wel even anders. Dat is geen passief ondergaan, maar een actief omarmen, aannemen, in je opnemen. Je niet verzetten tegen de situatie zoals die is, er ook niet voor vluchten (ook niet in activisme, schrijf ik er voor mezelf even bij), maar de situatie geheel tot je nemen en in jou tot ontwikkeling laten komen. En dan kan het best zijn dat je heilige verontwaardiging voelt en iets onderneemt. Maar dat gebeurt dan vanuit de omarming van de situatie – en niet vanuit verzet ertegen.

Ik kijk nog eens opzij en zie de kale akkers liggen. Die liggen daar niet passief te zijn, die liggen bereid te zijn, bij wijze van spreken met de armen wijd open. Bereid om straks, als de tijd rijp is, zaad in zich op te nemen. Het actief te omarmen, zodat het zaad zich in een samenspel van aarde, water en warmte kan gaan ontwikkelen, groeien en vrucht dragen. Noem dat maar eens passief! Nee, de werkelijkheid is niet zo eendimensionaal.

En Maria met haar ‘Mij geschiede naar uw woord’? Maria kiest voor wat je haar lot zou kunnen noemen en daarmee ontdoet zij haar lot van het ‘lottige’ karakter ervan. Zij omarmt actief wat haar wordt aangezegd. Hier spreekt geen passieve en zwakke vrouw, maar een moedig mens, die ja zegt tegen de weg die God met haar wil gaan en bereid is te doorleven wat er te doorleven valt. Die bereid is de consequenties van haar ‘ja’ te aanvaarden, ofschoon ze die niet kan overzien.