Parelduiken in de bijbel

Maak je geen zorgen (2)

Bij Matteüs 6:27 (NBG) en 33 (eigen vertaling)

Maak je geen zorgen, zegt Jezus in zijn Bergrede. De vorige keer schreef ik er al over. En om zijn pleidooi kracht bij te zetten, stelt Jezus een vraag: ‘Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen?’ Niemand steekt zijn vinger op. Je zorgen maken voegt niets toe. We weten het allemaal, toch is het verdraaid moeilijk om je géén zorgen te maken.

Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt voor ‘lengte’, kan op meerdere manieren lengte betekenen. Lichaamslengte – voor die betekenis kiezen de vertalers in deze vertaling. Maar het kan ook wijzen op levensduur. Ook daaraan kun je door je zorgen te maken geen el toevoegen. Een el is in de context van tijd niet de passende maat, maar ik hoop dat de lezer de vergelijking zal begrijpen. Hoe dan ook: die el, die je zelf niet kunt toevoegen, moet je zien als een maat voor zowel ruimte als tijd. Oftewel: aan je bestaan in deze tijdruimtelijke wereld heb jij niets toe te voegen – in ieder geval niet door je zorgen te maken.

Nee, zegt Jezus iets verderop. Het is Gód, die iets toe te voegen heeft aan ons leven en aan al die dingen waarover wij ons zorgen maken – hij noemt kleding en voedsel expliciet. ‘Zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en dat alles zal jullie toegevoegd worden.’ Met andere woorden: richt je op de Bron waaruit alles voortkomt en je zult daaruit ontvangen.

Dit beeld geeft mij ogenblikkelijk ontspanning. Ik hoef me niet in duizend bochten te wringen om wat dan ook aan mijn leven toe te voegen – God zal dat doen. Ik hoef mijn eigen leven niet te maken. Ik hoef me alleen te richten op het Koninkrijk en zijn gerechtigheid. Dat is het enige dat van me gevraagd wordt. De rest, daar zorgt God voor.

Ontspanning, ja. Maar er klinken meteen ook tientallen stemmetjes in mijn hoofd. ‘Als het zo eenvoudig is, waarom is er dan nog honger op deze wereld?’ ‘Hoezo: God zorgt voor alles!? Je moet toch gewoon werken om de kost te verdienen?’ ‘Denk maar niet dat God de rekeningen voor je betaalt!’

En toch: ik heb niets toe te voegen. Dat doet God alleen. Of, om het in de woorden van Meester Eckhart te zeggen: ‘Wat wij zijn, zijn wij door God en wat wij bezitten, hebben wij van God en niet van onszelf.’

Maak je geen zorgen (1)

Bij Matteüs 6:34

‘Maak je geen zorgen over de dag van morgen, want ‘morgen’ zal zich zorgen maken over zichzelf. Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last.’ Woorden van Jezus, die hij over twintig eeuwen heen tegen ons zegt.

De kans is groot dat we alleen het eerste deel verstaan en zijn woorden dus inkleuren als: ‘Ga zorgeloos het leven door. Leef licht en vrolijk.’ Maar dat is niet wat hij zegt. Jezus ontkent de zwaarte van het bestaan, het lijden niet. Hij wijst er zelfs naar. ‘Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen last.’ Het ís er: het kwaad, de pijn, het lijden. Maar, zegt Jezus, houd je aandacht bij het lijden van vandaag. Wees aanwezig bij het lijden dat vandaag op je pad komt. Zie het aan, zie het onder ogen. Houd het ermee uit. Worstel ermee, vecht ermee, aanvaard het. Maar laat je aandacht gericht zijn op wat zich vandaag aan jou voordoet en draag dat.

Het Griekse werkwoord ‘je zorgen maken’ heeft te maken met verdeeld zijn, gespleten raken. En dat is precies wat er gebeurt als je je zorgen maakt. Als ik me zorgen maak, bevind ik me lichamelijk misschien in het hier en nu, maar mijn aandacht is elders. Mijn aandacht is ergens in de toekomst. Bij morgen, bij overmorgen, bij nog veel later. Terwijl mijn lichaam hier is, ben ik met mijn ziel elders. Ergens in een toekomst, meestal vol angstige dingen. Mijn ziel slaat op hol. Maar als mijn lichaam hier is en mijn ziel daar, waar ben ik dan?

Wees niet met je aandacht bij morgen, bij wat er morgen eventueel zal gebeuren. Wie aan morgen denkt, splijt zichzelf in tweeën. Je lichaam leeft vandaag, maar je ziel is bij morgen. Doe dat niet, zegt Jezus. Kom terug uit morgen, en verzamel jezelf weer. Blijf een geheel, een eenheid. Blijf bij de dag van vandaag. Zodat je al je krachten in het hier en nu kunt inzetten om te dragen wat vandaag op je pad komt.

Uw koninkrijk kome

Bij Matteüs 6:10

Verlangen – in de kerk wordt er meestal positief over gesproken. Het is goed om te verlangen: naar het Rijk Gods, naar de toekomst waarheen Hij ons leiden zal. We bidden het ook elke week: ‘Uw koninkrijk kome.’ Het verlangen zet ons in beweging. Want er moet nog een hoop werk verzet worden voordat het zover is, dat Rijk Gods. Dat lijkt ongeveer de gedachte.

Maar als ik er verder over doordenk, vraag ik me af of dit soort verlangen wel zo heilzaam is. Het punt is: dit verlangen plaatst je in een ‘nog niet’. Het Rijk Gods is er nog niet, het bestaat nog niet, het moet nog komen. Je focus ligt bij later, ooit – niet bij wat er wél is, bij wat zich hier en nu aandient. Je aandacht ligt bij een doel in de toekomst, iets dat nog gerealiseerd moet worden – door jou of door een macht buiten jou. Je kijkt naar verder weg in de tijd, en kijkt over wat nu is, heen. Want hier en nu, dat is blijkbaar nog niet helemaal goed. Hier en nu, dat is onvrede.

Dat is het gevaar dat verlangen in zich draagt. Je richt je energie op iets dat niet hier is, dat nu nog niet is. En dat maakt dat je heenkijkt over dat wat er hier en nu wél is. Je ziet niet hoe het Rijk Gods al hier onder ons woont. Je ziet niet hoe God al in jouw leven aanwezig is.

Betekent dit dat we een volledig verstild leven moeten leiden, waarin je verzinkt in het hier en nu en er niets meer gebeurt en tot stand wordt gebracht? Nou, nee. Het gevoel van vrede dat het aanvaarden van het hier en nu met zich meebrengt, maakt je niet blind voor de onvrede om je heen. Alleen reageer je er anders op. Je reageert niet vanuit ‘Dit klopt niet, het moet anders!’, vanuit een ‘nog niet’. Maar je reageert vanuit een weten dat het er al is, die vrede. En de beweging die dat oplevert, is van een compleet ander soort.

Bezit (2)

Bij Lukas 12:15

‘Hoed je voor iedere vorm van hebzucht’, zegt Jezus, ‘want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.’ Je leven hangt niet af van je bezittingen. Het is een enorme open deur, maar toch is het blijkbaar nodig dat Jezus het hier zegt.

Ik schreef vorige keer al: het woord ‘bezit’ betekent eigenlijk: dat wat jou ter beschikking staat. De dingen zijn er voor jou om te gebruiken, ze komen op je weg. Maar worden ze ‘van jou’, worden ze jouw bezit, dan gaan ze stollen. Dan zijn ze niet meer wendbaar, niet meer vloeibaar. Ze kunnen niet meer stromen. Ze verstenen en komen niet meer weg. Zie het desnoods heel letterlijk voor je. Bezit als ‘dat wat voorhanden is’ kan nu hier, dan daar opduiken – afhankelijk van waar het nodig is. Bezit dat eigendom is geworden, komt niet meer van zijn plaats.

Bezit dat tot eigendom wordt. Het draagt een gevaar in zich. Als je je omringt met je bezit, wordt het een sta-in-de-weg: het ontneemt je je zicht op God en op je naaste. En wie zich omringt met bezit, waant zich veilig; als achter een pantser of een muur. Alsof het veiligheid en zekerheid kan bieden. Ja, je kunt je erachter verschuilen en het geeft zo een zekere mate van bescherming. Maar bezit maakt je niet onkwetsbaar. Want voor je bestaan is slechts één ding nodig: je bestaan zelf. En dat ontvang je uit Gods hand, elk moment opnieuw. Dat is het enige noodzakelijke. Wij zijn, doordat we het zijn van God krijgen.

Een onkwetsbaar bestaan – dat bestaat niet. Ten diepste zijn we volledig afhankelijk van God. Of Hij ons al of niet ons leven schenkt. Maar in tegenstelling tot bezittingen, die kapot gaan, slijten, gestolen worden, uit de mode raken of in vlammen opgaan, is God een baken van onveranderlijkheid. Het enige dat Hij wil is jou je bestaan, Zijn zijn, geven. Uit liefde. Elk moment opnieuw.