Mijn ziel weet het zeer wel

Bij Psalm 139:14

In mijn dagelijkse meditatieroutine heeft het geen plek, maar als ik met een groep mediteer, gebruik ik het vrijwel altijd: loopmeditatie. Heel bewust contact maken met de grond, met de aarde. Je voet langzaam afwikkelen. Stappen zetten op het ritme van je ademhaling. Het helpt me om me helemaal en volledig gedragen te laten voelen. Op alle niveaus van mijn bestaan.

Gek is dat eigenlijk. Ik wéét het, diep van binnen – dat ik gedragen word. Maar ik ben me er maar zo weinig van bewust. Ik maak er zo weinig contact mee, met die dragende kracht onder mijn leven. Ik leef er zo weinig vanúit. Ik heb het blijkbaar nodig om dat af en toe lichamelijk te voelen en het mezelf te horen zeggen (‘Ik word gedragen’) om me dat weten bewust te maken.

‘Mijn ziel weet het zeer wel’, schrijft de psalmdichter. Zijn woorden helpen me om te zien wat hier speelt. Er ligt een heleboel kennis, nou ja: wéten, opgeslagen in mijn diepte. ‘Ik word gedragen.’ ‘Ik ben geliefd.’ ‘Ik ben vergeven.’ Mijn ziel weet het zeer wel, maar iets verhindert me om dat weten voor waar aan te nemen. Om dat weten te laten doordringen tot alle lagen van mijn bestaan. Om het vanuit mijn ziel te laten opkomen en mijn leven op emotioneel, psychologisch en lichamelijk niveau te laten kleuren. Om zelfs mijn dagelijkse leven erdoor te laten bepalen.

Drempels, weerstand, bedekkingen – je kunt er vele woorden voor gebruiken, voor dat wat jou beperkt in het laten opkomen van dat weten. Maar het beeld is duidelijk: diep in jou draag je een heleboel mee, dat niet verder komt dan die diepte. Tenzij je daar naartoe gaat, onder ogen ziet wat daar leeft en zich roert en de moed kunt opbrengen om van daaruit te leven. Het is een hele onderneming om dat te doen. De langste reis die je in je leven kunt ondernemen is immers de reis naar binnen. En daarna moet je, omgevormd door die kennis, ook de terugreis nog afleggen. Maar dit alles is meer dan de moeite waard, want wat een rijkdom ligt er op de bodem van je bestaan!

Wat zou er nog meer aan ‘weten’ opgeslagen liggen in mijn ziel?

Gebedsgenezing

Bij Marcus 9:14-29

Er komt een man bij de leerlingen van Jezus. Hij heeft zijn zoon bij zich. Die wordt bezeten door een geest die maakt dat hij niet kan spreken. De vader vraagt of de leerlingen de jongen kunnen genezen. Ze ondernemen een poging, maar die mislukt. Als Jezus zich later weer bij de leerlingen voegt, lukt het hem wél. Na afloop vragen ze: ‘Waarom konden wij dat niet, die geest uitdrijven?’ Jezus antwoordt: ‘Dit soort kan niet anders uitgedreven worden dan door gebed.’

Niet anders dan door gebed!? Ik lees nergens in dit verhaal dat Jezus bidt met of voor de jongen. Sla de bijbel er maar op na. Hij praat met de vader en spreekt de onreine geest bestraffend toe. ‘Ik beveel je: ga uit hem weg en kom niet meer terug!’ Maar gebed? Niks daarvan.

Ik lees het verhaal nog een keer. En ineens zie ik het. Nee, Jezus bidt niet. Maar in het gesprek dat hij met de vader heeft, bidt de vader van de jongen! ‘Help ons! Wees bewogen over ons!’, zegt hij. En daarna: ‘Ik geloof! Help mij in mijn ongeloof!’ Help ons, wees bewogen, help mij! Dit zijn woorden van gebed.

Hier opent zich een compleet landschap. Niet een woord of gebaar van Jezus drijft de demon uit, maar het gebed van de vader. De vader, die radeloos is vanwege zijn zoon. Dokters, psychologen en diverse klinieken afgelopen, al zijn geld uitgegeven aan medicijnen en therapieën en niets of niemand die de jongen helpen kan! Het drijft hem tot wanhoop. De vader is op de bodem van zijn bestaan gekomen. Op zijn knieën gedwongen door het lijden van zijn kind. En daar bidt hij: ‘Help ons! Wees over ons bewogen!’

Dit gebed wordt gezegd, geróepen door iemand die onder ogen heeft moeten zien dat hij niets vermag. Dat mensen tegen sommige krachten niets in te brengen hebben. Het enige dat hem nog rest is het kind overgeven aan God. Hij moet zijn trots ervoor laten varen, maar met dit gebed, gesproken met een innerlijke houding van nederigheid, brengt hij de jongen in het domein van God. En waar trots een hart verhardt en afsluit, maakt deemoed een mens ontvankelijk voor de stroom van heelheid die God is. De vader durft, of kan niet anders meer dan zichzelf en zijn zoon daaraan volledig toe te vertrouwen.

Dure medische of psychologische begeleiding mochten hier niet baten, maar de altijd en overal vrij beschikbare genade brengt verlossing. Het enige dat wij hoeven doen – maar o, wat is dat moeilijk – is onze trots laten varen en onder ogen zien dat wij God nodig hebben om tot Leven te komen.

Zuurdesem

Bij Matteüs 13:33

Zou God wel tevreden zijn over mij? Een vraag die ik aan het bed in het hospice vaak hoor. Nou ja, zoals ik hem nu opschrijf, wordt-ie niet gesteld. Maar deze gedachte ligt achter de vragen die sommigen hebben. Vooral als het gaat om mensen die wel opgegroeid zijn met geloof en kerk, maar die in de loop van hun leven dat alles hebben losgelaten. ‘Mag ik dan nu mijn toevlucht wel nemen tot gebed? Tot God? Hij ziet me aankomen!’

En niet alleen op het sterfbed komt die vraag op. Ik herken hem, als ik goed kijk, ook bij mezelf. Doe ik wel genoeg? Geef ik God wel voldoende aandacht? Eigenlijk een humoristisch beeld. Alsof God met een opschrijfboekje op schoot zit en een balans bijhoudt. Jezus geeft ons een ander beeld. ‘Het koninkrijk der hemelen lijkt op een zuurdesem, die een vrouw neemt en verbergt in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd is!’

Wij mensen zijn zo geneigd kwantitatief te kijken: te meten, te wegen, te rekenen. Hoeveel heb ik gebeden in mijn leven? Hoe vaak ben ik naar de kerk geweest? Hoe groot is de rol die ik God geef in mijn leven? Maar het beeld van de zuurdesem helpt ons om andere vragen te stellen. Dat éne gebed uit het hart op mijn sterfbed – durf ik erop te vertrouwen dat dat mijn hele leven in een ander perspectief zet, dat dat mijn hele bestaan achteraf inhoud geeft? Die vijf minuten stilte of dat ene bijbelvers aan het begin van de dag – kan ik die mijn hele dag kleur en richting laten geven?

In het geestelijk leven gaat het niet om hoeveel of hoe vaak. Maar om het kneden van het deeg, zodat alles goed gemengd wordt en doortrokken raakt van de werking van de desem. Dat ene moment van ruimte voor God, van tijd voor de diepte, voor verlangen – geef ik die de ruimte om zich uit te spreiden over mijn hele bestaan? Houd ik het gevangen in die diepe, spirituele laag van mijn bestaan, of kan en mag het op alle niveaus doorwerken; ook in mijn gevoelens, keuzes, meningen, kortom: in mijn hele dagelijkse leven? Dat ene wat ik doe op geestelijk gebied – laat ik dat mijn hele dag, mijn hele leven doordesemen?

Gij verruimt mijn hart

Bij Psalm 119:32

Mediteren doe ik nu al jaren, maar ik vind het nog steeds lastig. Er is vaak zoveel dat zich in mij afspeelt. Dat woelt en rondwaart en in de stilte opkomt om zich te laten zien. Gedachten, verlangens, fantasieën, angsten, toekomstbeelden, zorgen, pijn, verdriet. Te veel. Als ik geconcentreerd bezig ben met werk of huishouden, dan merk ik dat allemaal niet zo. Maar als ik ’s ochtends op mijn bankje zit, dan krijgt die innerlijke wereld de ruimte en laat zich volop merken. Ze benauwen me – de gedachten en gevoelens. Ik zie ineens hoeveel ruimte ze innemen in mijn binnenkant. Hoe ze me in de tang houden, grip op me hebben, me leiden.

En het moeilijkste om te aanvaarden is dat ik het vaak helemaal niet doorheb dat al die dingen me zo benauwen. Als ik in de stilte zit, laat ik alles opkomen. En voordat ik het weet, ben ik minuten verder en heb ik me laten meeslepen door van alles en nog wat. Als dat besef toeslaat, als ik daaruit wakker word, is er altijd een moment van oordeel. Oordeel over mezelf. ‘Heb ik me weer laten meeslepen. Het is de bedoeling dat ik er van een afstandje naar kijk en ik zit er weer midden in. Hoe lang doe ik dit nou al!? En ik kan het nog steeds niet.’ Je reinste zelf-afwijzing. En als ik dát doorkrijg, dat ik mezelf afwijs, geef ik mezelf daarover nog eens op mijn kop. ‘Je weet toch dat oordelen niet helpt!’ Dan wijs ik mezelf af omdat ik mezelf afwijs. Pfff … Hoe ingewikkeld kun je het jezelf maken.

En dan zijn de twintig minuten voorbij en ontwaakt er iets anders in mij. Waarom zat ik hier ook alweer? O ja, om alles, alles wat er in mij is onder ogen te zien, waar te nemen en te laten gaan. Op te laten lossen in die grote, onmetelijke ruimte die God is, die de Liefde is, die ik van binnen ben. En als vanzelf gebeurt dat dan. Ik word ruimte van binnen. Liefdevolle, aanvaardende, compassievolle ruimte. En alles, alles wat zich de afgelopen minuten heeft laten zien, zie ik ineens in die ruimte. En dan gebeurt het wonder: het lost als vanzelf op. Het tintelt weg, het wordt transparant, het wordt opgenomen in dat grote geheel waarin alles er mag zijn, waarin alles omvat wordt, omhelsd, door de Liefde zelf. Alles wat zich in mij afspeelt. Ook mijn zelf-afwijzing. En het feit dat ik mezelf afwijs omdat ik mezelf afwijs.

‘Ja, Gij verruimt mijn hart’, dicht de psalmist. Zo voelt het dan. Alsof mijn hart zich opent, groter wordt, en alles liefdevol omhelst en in zich opneemt wat mij benauwde. En ook de benauwdheid lost op. Ik ben alleen nog maar ruimte. En ik kan alles aanvaarden – zelfs het feit dat ik mezelf maar zo moeilijk aanvaard.