Blijf in mijn liefde

Bij Johannes 15:9

Bij elke verhuizing was het weer spannend: zou het lukken om in de nieuwe woonplaats een leven op te bouwen? Mensen te leren kennen, me thuis te gaan voelen? Een grote constante in het vinden van een plek in een kring van vrienden en bekenden, was de kerk. Een plaats om thuis te komen in een vreemde omgeving.

Er zijn slechtere redenen denkbaar om naar de kerk te gaan. Maar deze insteek legt de nadruk op het ‘elkaar kennen’. En die woorden zet ik expres tussen aanhalingstekens, want hoe goed leer je elkaar eigenlijk kennen in een gemeente? Velen herken ik op straat, redelijk wat ken ik bij name, maar slechts een enkeling ken ik beter dan oppervlakkig. Is dat ‘elkaar kennen’?

Hoe langer ik de geestelijke weg ga, hoe minder ik het van belang vind dat ik de gemeenteleden om me heen ken – kennen als: weten hoe ze heten en hoe hun dagelijks leven eruit ziet. Ik zie kerkgang als een oefening in júist het zien van wie iemand is zonder hem of haar te kennen in díe zin. Een oefening in het zien van een willekeurige ander als broeder of zuster, los van of ik diegene ken en mag of niet. Een grote oefening in het dóór die buitenkant van iemand heen kijken en het wezen te zien: dat hij of zij ook kind van God is. Dat hij of zij ook drager is van een goddelijke vonk, de Christusnatuur, het ware zelf, hoe je het ook noemen wilt. Dat er iets is dat ons verbindt, hoewel we zo verschillend zijn in de manier waarop datgene vorm krijgt in ons.

‘Blijf in mijn liefde’, zegt Jezus tegen zijn leerlingen. Wie zichzelf ziet als verblijvend in de liefde van God, die leert zien dat anderen ‘daar’ ook verblijven, daaruit bestaan en daaruit leven. En dan leer je om elkaar los te zien van je naam, je dagelijks leven en werk – daar doorheen te kijken en door te dringen tot de kern. En de grootste oefening is nog wel zo óók te kijken naar de mensen die de rest van de week op mijn pad komen. Niet alleen die vriendin, maar ook de buurman en de vrouw voor me in de rij bij de kassa van de supermarkt. Iedereen is drager van dat geheim van de levende liefde Gods, waaruit wij allen voortkomen en waarin wij allen met elkaar verbonden zijn.

‘Blijf in mijn liefde’, zegt Jezus tegen ons. Wie zichzelf ziet als verblijvend in de liefde van God, die  leert zien dat anderen ‘daar’ ook verblijven en dat we elkaar op dat niveau naamloos en onpersoonlijk ontmoeten en herkennen.

Heilige grond

Bij Exodus 3:1-5

Ik geef een lezing en halverwege de avond onderbreekt iemand me voor een vraag. Nou ja, een vráág … Meneer wil graag laten weten dat ik maar de halve waarheid vertel en dat ik voor het gemak over het hoofd zie dat het er in het leven niet alleen om gaat dat je ruimte maakt voor God, maar ook dat onze maatschappij gefundeerd moet worden op een goede economie. Het duizelt me even, zo snel zoomt hij uit. Ik kan er niet echt goed op reageren, want mijn verhaal heeft zó’n andere insteek.

Als ik er een dag later over nadenk, zie ik het ineens. Wat met die man gebeurde, gebeurt mij ook vaak. Dan lees ik iets en dan raak ik afgeleid en blijk ik een halve pagina verder te zijn voordat ik dat doorheb. En dan heb ik een heleboel gemist! Het is een heel natuurlijke afweerreactie. Afleiden. Blijkbaar stond er iets in dat boek dat mij diep van binnen raakte. Blijkbaar zei ik iets, die avond, dat die meneer diep van binnen raakte. Maar soms is datgene dat geraakt wordt, zo groot, dat je er al voor teruggeschrokken bent voordat je het in de gaten hebt. Soms is datgene dat geraakt wordt zo groot, dat de gevolgen bijna ondraaglijk zijn. En dan werpt het ego (je ‘kleine ikje’, alles waarmee jij je identificeert, maar wat je niet ten diepste bent) allerlei bezwaren op. Of het leidt je af en laat je afdwalen van de inhoud van wat je leest.

Het is alsof je heilige grond nadert. Daar staat een braambos te branden en je weet diep van binnen dat als je dat nadert – dan gaat het schroeien. Branden. Pijn doen. Je krijgt dingen te zien, die moeilijk voor je zijn om onder ogen te zien. Je ego krijgt dingen te zien, die het niet onder ogen wil zien, want het betekent einde ego. Je nadert het brandende braambos, maar het wordt het ego al snel te heet onder de voeten en het zorgt er met man en macht voor dat jij niet die kant opgaat, niet die kant opkijkt. Het leidt je af met een vraag naar de economische structuur van onze maatschappij of het doet je afdwalen van wat je las. Gewoon weerstand. Je nadert de waarheid en je ego deinst ervoor terug.

De volgende keer dat iemand mij zo’n vraag stelt op een avond, heb ik mijn wedervraag paraat. ‘Wanneer precies kwam deze gedachte bij u op? Wat was ik aan het vertellen? Dan ligt dáár uw huiswerk.’ En zo kan ik mezelf ook toespreken. ‘Hé, ik heb een halve bladzijde gelezen zonder dat het tot me doordringt. Waar raakte ik afgeleid? Daar staat iets wat mijn ego niet onder ogen wil zien. Huiswerk, dus!’

Bidden (3)

Bij Openbaring 8:3-4

Op een avond die ik gaf over meditatie, kwam de vraag op of bidden en mediteren eigenlijk niet hetzelfde zijn. Ik moest er even over nadenken, maar ik zou zeggen dat het twee kanten van dezelfde medaille zijn.

Als ik aan gebed denk, kom ik slecht los van het beeld dat we God van alles vragen. Ons gebed is vaak doorspekt van wat wij wensen en verlangen, van hoe wij denken dat het er in de wereld aan toe zou moeten gaan, van onze oordelen over wat goed en wat fout is. Ik kan dat soort gebed maar moeilijk aanvaarden als volledig gebed, maar wél als een soms noodzakelijke stap in de gemeenschap met God.

Een vers uit Openbaring helpt. ‘De rook van de wierook steeg met de gebeden op naar God.’ Gebed en wierook horen bij elkaar. De priester in de tempel zegt de gebeden terwijl hij wierook brandt op het altaar. De rook stijgt op ten hemel en begeleidt de woorden van het gebed. Zo staat wierook symbool voor de gebeden. Alleen niet het spul op zich; het moet verbrand worden, wil het de gebeden kunnen begeleiden.

En precies dat geldt ook voor onze gebeden. Ze moeten verbrand worden, door het vuur heen. Alle ik-gerichtheid moet uit onze gebeden weg, schrijven de mystici. Alle ik-gerichtheid moet weggebrand. Het gaat in ons gebed soms alleen om onszelf. Terwijl het gebed een vorm van communicatie is met God. En communicatie kent twee richtingen: van ons naar God en van God naar ons. Maar waar wij onze gebeden volproppen met wat wij belangrijk vinden, hoe wij tegen de dingen aankijken, wat wij willen of niet willen – daar is geen enkele ruimte meer voor God om tot ons, om in ons te spreken.

Ik bedoel niet dat je niet voor jezelf mag bidden. Of voor de mensen om je heen. Of voor alles in de wereld waarover jij je zorgen maakt. Doe dat vooral wel. Breng dat alles voor het aangezicht van God. Maar laat het dan ook daar. Vertrouw het toe aan God en láát het daar. Het gaat er niet om dat jij God in je gebeden vermurwt om de dingen zó te laten gebeuren als jij wilt of denkt dat goed is. Het gaat erom dat jij je ziel leegmaakt van alles wat jou bezwaart en bezet en bedrukt, zodat je ruimte krijgt, opgelucht wordt. Zodat je tot de stilte kunt komen die onder dat gewoel in jezelf ligt. Een stilte, die ruimte is voor God in jou. Een verstilde ruimte voor God om in ons aan het woord te komen.

Zuivere ochtenduren

Bij Psalm 90:14

Ik houd van de eerste uren van de dag. Als alles nog open ligt. Als alles zuiver is, helder. Als ík nog zuiver ben. Mijn hoofd nog niet gevuld met wat ik in de krant las, met de punten van mijn to do-lijst, de berichten in mijn mailbox. Het is een gouden tijd. En om dat gevoel te versterken, mediteer ik ’s morgens. Mijn dagelijkse vakantie, noemde ik het laatst. Die twintig minuten op mijn bankje – dan ben ik helemaal vrij. Ik hoef helemaal niets. Ik kan ook niets, want ik heb met mezelf afgesproken dat ik twintig minuten zou zitten. Ononderbroken. In het begin moest ik mezelf dwingen om niet even iets op te schrijven of alvast iets klaar te leggen om het maar niet te vergeten, maar dat ging gauw voorbij. Want ik merkte hoe groot de kracht is van die dagelijkse vrijheid – ook al is die beperkt in tijd. De stille tijd in de ochtend werpt zijn vruchten af gedurende de hele dag. Merk ik ergens in de middag dat gedachten met mij aan de haal gaan, dan ga ik innerlijk even op mijn bankje zitten. Keer ik terug tot mijzelf in plaats van me mee te laten voeren door die gedachtestroom. Verzamel ik me, in plaats van verstrooid te raken.

De morgenstilte is de toonsoort die de muziek van mijn dag bepaalt. De psalmist wist ervan. ‘Vervul ons in de morgen met uw liefde’, schrijft hij. ‘Opdat uw liefde ook vandaag in mij is als een bron van waaruit ik leef en spreek en handel’, vul ik aan. Die liefde wordt je geschonken, maar het is lastig ontvangen als je er geen ruimte voor hebt; als jouw innerlijk volgepropt is met jezelf en je to do-lijstjes.

Ook de twintigste-eeuwse mystica Evelyn Underhill benadrukt het belang van het reserveren van enige tijd voor God op een dag. Het leven van veel mensen is druk, schrijft ze. Maar ook in zo’n vol bestaan is er ergens op de dag wel een pauze te vinden, al is die maar kort. Geef die pauze aan de stilte, aan God. En houd dat vol, ook al lijkt het in het begin alsof het vruchteloos is. Al zijn het maar een paar minuten, gebruik ze hiervoor en laat de spirit van deze minuten de drukke en volle uren van de dag kleuren.

Wie ermee wil beginnen, begin! Je hebt er niets voor nodig. Een stoel. Een vaste plek waar je niet gestoord wordt. Een vast moment van de dag – en dat kan ook ’s avonds zijn als jou dat beter uitkomt. Spreek met jezelf af dat je het drie weken volhoudt. En merk op wat het met je doet, zodat het niet aan je voorbijgaat als je vervuld wordt met Gods liefde.